Home

Achtergrond

Onderwijs geeft jongeren beter beeld van sector

Praktijkgericht leren moet een brug slaan tussen groen onderwijs en de tuinbouwpraktijk. Die praktijk gaat meer naar techniek, maar groene vingers moeten niet op het tweede plan komen.

In een dynamische sector als de glastuinbouw loopt de schoolsituatie altijd achter. En met al decennia dalende aantallen leerlingen en studenten zat er voor groenopleidingen niets anders op met praktijkgericht onderwijs dichter bij de werkplek te gaan zitten om er feeling mee te houden. Dat resulteerde er in dat instroom op alle niveaus (mbo, hbo en wo) weer toeneemt. Dit komt mede door het aansluiten bij maatschappelijke issues die jongeren bezighouden, zoals duurzaamheid en de vergroening van steden.

Van school naar kennispartner

Voor Sjoerd Nieboer is het klip en klaar dat groenopleidingen de transitie hebben gemaakt of aan het maken zijn van school naar kennispartner met een gezamenlijke leer- en/of onderzoeksagenda tussen student en bedrijf. Zeker bij InHolland, waar Nieboer werkt als docent, is deze transitie ver gevorderd. Als voorbeeld noemt hij de nieuwe deeltijdopleiding Tuinbouw&Agribusiness: een opleiding voor werknemers in de sector die grotendeels op het eigen bedrijf via een individueel opleidingstraject hun diploma halen.

Een probleem waar vooral vmbo-scholen mee kampen, is alles georganiseerd te krijgen. Onder meer het verplaatsen van leerlingen en het inpassen in diverse lesrooster

Anneke Postma, adviseur Opleiding & Ontwikkeling bij Kasgroeit

De kloof tussen groenopleidingen en praktijk is zeker verkleind en verbeterd, vindt ook Anneke Postma, adviseur Opleiding & Ontwikkeling bij Kasgroeit, maar praktijkgericht leren is en blijft makkelijker gezegd dan gedaan: “Een probleem waar vooral vmbo-scholen mee kampen, is alles georganiseerd te krijgen. Onder meer het verplaatsen van leerlingen en het inpassen in diverse lesroosters.”

Sjoerd Nieboer van Inholland tussen rechts een student deeltijdopleiding Tuinbouw&Agribusiness en links zijn werkgever. - Foto: Joep van der Pal
Sjoerd Nieboer van Inholland tussen rechts een student deeltijdopleiding Tuinbouw&Agribusiness en links zijn werkgever. - Foto: Joep van der Pal

Korte versus lange termijn

Steeds vaker heeft Nieboer overleg met HR-managers uit de sector om te praten over samenwerking. Wat hierin opvalt, is dat er een grote wens is om contact met studenten (liefst vierdejaars) te hebben. Doel hierbij is om de studenten aan de bedrijven te binden. Prima vindt Nieboer, maar er een draai aan geven via een goede stage met inhoudelijk interessante leer- en onderzoeksvragen is lastig. “Helaas kijken bedrijven daarbij te veel naar hun eigen belang op de korte termijn dan naar het belang van instroom van jonge talenten voor de gehele sector op de lange termijn”, oordeelt Nieboer.

Praktijkgericht onderwijs staat of valt met de medewerking van bedrijven, vindt ook Harry van der Zaag, directeur Lentiz cursus&consult. Zich openstellen voor excursies en stageplaatsen is vers 1. Ondernemers moeten echter ook hun kennis en ervaring delen, bijvoorbeeld als gastdocent in cursussen.

Kansen vanuit vmbo

Waar Postma echt kansen ziet, is meer aandacht te geven aan het vmbo. “Het lijkt wel of scholieren met mbo-niveau 3 en 4 pas interessant zijn voor instroom in de sector, gezien wat gevraagd wordt in vacatures, terwijl in het vmbo ook sterk beroepsoriënterende keuzes worden gemaakt. De doorstroom van vmbo naar mbo is in het groene onderwijs heel mager, mede door de vele studierichtingen. Het wordt een hele uitdaging deze 12 tot 16-jarigen te interesseren voor de tuinbouw, maar dat zeker de moeite waard. Scholieren met mbo-niveau 2 kunnen prima uitvoerend werk verrichten, zowel bij productiewerk als in de meer technische en technologische functies. Als ze binnen de bedrijven maar de juiste begeleiding krijgen.”

Postma ziet ook wel in dat doordat de sector alsmaar groeit en complexer wordt er een verschuiving is naar de behoefte aan hoger geschoold personeel. “Maar bij verdergaande mechanisering, automatisering en zelfs al introductie van robotisering in de sector zijn ook operateurs nodig die niet per se mbo-niveau 4 nodig hebben.”

In het groene onderwijs is weinig aandacht voor de biologische sector, ondanks de groei die deze sector laat zien.- Foto: Jan Willem Schouten
In het groene onderwijs is weinig aandacht voor de biologische sector, ondanks de groei die deze sector laat zien.- Foto: Jan Willem Schouten

Te weinig bijdrage

Wat Postma zorgen baart is dat groenopleidingen verhoudingsgewijs minder bijdragen aan de instroom van jongeren. “De behoefte van tuinbouwbedrijven is breder geworden dan alleen de jongeren met groene vingers. Ze blijven echter wel nodig. Het maakt de sector kwetsbaar als die instroom te klein wordt of zelfs opdroogt. De functie van teeltspecialist vergt de nodige scholing en kan niet zomaar worden ingevuld door een zij-instromer. Werkervaring speelt een rol, maar die dient wel bijgebracht te worden”, benadrukt Postma.

Door te integreren in roc’s lopen aoc’s kans ondergeschoven kindje te worden

Anneke Postma, adviseur Opleiding & Ontwikkeling bij Kasgroeit

Ook Nieboer vindt de instroom vanuit groenopleidingen veel te laag. Dat is deels te wijten aan de traditionele wijze waarop geworven wordt op havo- en mbo-scholen. Nieboer hekelt in die zin dat in Nederland veel te veel nadruk ligt op studentenaantallen, wat de groenopleidingen meer dan gewenst elkaars concurrent maakt. “Op diverse terreinen werken de 4 tuinbouwhogescholen samen, maar meer eenheid is geen overbodige luxe”, verwoordt Nieboer.

Groen onderwijs blijft belangrijk, meent Postma. Agrarische opleidingscentra (aoc) integreren in regionale opleidingscentra (roc) met de kans helemaal een ondergeschoven kindje te worden, vindt ze dus geen goed idee. Punt van zorg daarbij is ook de vergrijzing onder ’groendocenten’.

Geen schapen met 5 poten

Mbo- en hbo’ers van groenopleidingen hebben al een baan voordat ze van school komen. Deels uiteraard door de schaarste, maar volgens Nieboer ook het bewijs dat praktijkgericht leren zijn vruchten afwerpt. Allemaal mooi en aardig vindt Postma: “Dit luxeprobleem moet wederzijdse verwachtingen niet vertroebelen. Naast dat scholieren en studenten een reëel beeld van de sector moeten krijgen met de vele carrièremogelijkheden, moeten ondernemers ook een reëel beeld hebben van de bagage die net-afgestudeerden meenemen. Dus niet verwachten dat ze direct het schaap met de 5 poten binnenhalen.”

Beleving

Bij jongeren draait veel om beleving, vindt zowel Nieboer als Postma. Eenmaal ingestroomd, vergt het veel flexibiliteit van de ondernemer om jonge talenten niet al te snel weer te laten uitstromen. Sowieso zijn jongeren meer dan generaties voor hen jobhoppers. Jongeren langer binden, kan door ze toekomstperspectief binnen het bedrijf te bieden en de bedrijfscultuur aan te passen aan moderne maatstaven. Bijvoorbeeld door jonge medewerkers een goede balans tussen werk en privé te gunnen.

Of registreer je om te kunnen reageren.