Home

Achtergrond

Middelendeskundige Pijnenburg: niet altijd pasklaar antwoord

Als gewasbeschermingsdeskundige Harrie Pijnenburg het niet meer weet, is er echt wat loos. Reden is het groeiend aantal gaten in de strategie om het gewas gezond te houden. “Goed onderzoek ontbreekt”, zegt hij.

Er is een tijd geweest dat Harrie Pijnenburg het als gewasbeschermingsspecialist het eigenlijk best wel gemakkelijk had. In zijn meer dan 25-jarige carrière, bij achtereenvolgens de landbouwvoorlichtingsdienst, DLV, DLV Plant en tegenwoordig bij Delphy, stond er meestal met het verdwijnen van een gewasbeschermingsmiddel altijd wel een ander middel klaar, of werd er gewerkt aan een ander middel. En anders werd altijd nog een andere oplossing bedacht. Dreigende problemen werden opgelost voordat ze een echt probleem waren.

“Dat is voltooid verleden tijd en dat maakt het ook wel lastig”, ervaart Pijnenburg. “Als een middel niet meer voorhanden is, is de vraag nog vaak: en wat nu? Ik moet steeds vaker zeggen dat ik het ook niet weet. Of ik moet uitleggen dat er wel een oplossingsrichting is, maar geen afdoende oplossing.”

‘Er zijn alternatieven, maar het betekent altijd meer spuiten’

“Neem bijvoorbeeld trips: dat is in heel veel groenten en fruit een enorme schadeveroorzaker. Voor aardbeien wordt driftig gezocht naar biologische alternatieven om het insect aan te pakken. Ze zijn er, maar de resultaten zijn wisselend. Biologische middelen hebben vaak ieder hun eigen gebruiksaanwijzing. Het ene middel moet, en het andere mag niet worden aangezuurd, of er zijn eisen aan de hardheid van het water. En vaak is de werkzaamheid anders, of verloopt trager.”

“En dan heb je nog te maken met verboden als op het gebruik van neonicotinoïden, inclusief zaadcoating. Er zijn alternatieven, maar het betekent altijd meer spuiten. Kortom, voor dreigende problemen is steeds vaker geen passende oplossing meer beschikbaar.”
Lees verder de interactieve foto. Beweeg over het icoon voor meer informatie

De gewasbescherming staat voor veel teelten op een kantelpunt?

“Dat is al lang gaande, vanaf het moment dat de Duitse discounters begonnen met hun bovenwettelijke residueisen voor groenten en fruit. Veel andere afnemers kijken er nu ook naar. Maar er zijn ook nog marktpartijen die amper naar ‘residu’ kijken.

‘Eisen stellen aan het aantal residuen is vooral commercieel gedreven wensdenken’

“Overigens hebben supermarkten wat residu betreft boter op hun hoofd. Op momenten dat er in het groentenschap lege plekken dreigen te ontstaan, worden de residueisen ineens flexibeler geïnterpreteerd. Ik weet dat zeker. Eisen stellen aan het aantal residuen is vooral commercieel gedreven wensdenken: een leverancier mag niet over de schreef gaan, behalve als het de afnemer schaadt.”

En PlanetProof dan, geldt dat ook vrijblijvend? Telers hebben geen keus, die moeten mee.

“Jumbo heeft zich opgeworpen als een voorloper, de meeste andere supermarkten hebben dit initiatief ook opgepakt. Op papier is het helder: eind volgend jaar moet 85% PlanetProof zijn. De supermarkten hebben aangegeven dat ze bij een tekort aan PlanetProof-producten niet direct op zoek zullen gaan naar niet-gecertificeerde aanvoer. Je moet ze daarin op hun blauwe ogen geloven.”

“Daarom vind ik het deze keer eens gunstig dat Greenpeace ook bij PlanetProof is betrokken. Greenpeace heeft veel maatschappelijke invloed, de organisatie heeft de verantwoordelijkheid om de supermarkten bij de les te houden als ze het eens ‘moeilijk’ wordt.”

Aardbeien als schoolvoorbeeld

Dat problemen met gewasgezondheid steeds minder met middelen worden opgelost, merkt Pijnenburg ook in de zich wijzigende manier waarop teelten worden aangepakt. Aardbeien zijn wat dat betreft een schoolvoorbeeld.

“De residubelasting van aardbeien is geen probleem, maar voor teelten in de vollegrond zonder bescherming kunnen de weersomstandigheden ervoor zorgen dat het lastig is om aan de goede kant van de streep te blijven.”

‘Ik denk dat onbeschermd aardbeien telen in Nederland zijn langste tijd heeft gehad’

“Het is ook niet voor niets dat die onbeschermde teelten in rap tempo worden ingewisseld voor telen in tunnels of op stellingen en er een snelle uitbreiding is van glasteelten. Drie jaar geleden kwam nog 35% van het volume van de vollegrond in de open lucht, nu nog zo’n 15%. Ik denk dat onbeschermd aardbeien telen in Nederland zijn langste tijd heeft gehad.”

“Er zijn ook al grote supermarktketens die bij voorkeur geen onbeschermd geteelde aardbeien meer willen hebben. Dat is een realiteit, vaak met negatieve gevolgen voor de prijsvorming voor vollegrondsaardbeien. Die prijsverschillen zijn soms zo groot dat je je afvraagt of dat, gezien de productkwaliteit, nog wel eerlijk is.”

Lees verder onder de foto

Oogst van aardbeien in de HNT-kas in het Delphy Improvement Centre in Bleiswijk. Drie jaar geleden kwam nog 35% van het volume aardbeine van de vollegrond in de open lucht, nu nog zo’n 15%. - Foto: Roel Dijkstra
Oogst van aardbeien in de HNT-kas in het Delphy Improvement Centre in Bleiswijk. Drie jaar geleden kwam nog 35% van het volume aardbeine van de vollegrond in de open lucht, nu nog zo’n 15%. - Foto: Roel Dijkstra

Aardbeien kun je nog onder folie of glas telen, maar bijvoorbeeld spruitkool of prei niet.

“Tegen schimmels is er nog een redelijke beschikbaarheid van chemische en er zijn ook steeds meer biologische middelen. Het probleem zit hem in de insectenbestrijding. Met natuurlijke vijanden kom je heel ver, blijkt in de glastuinbouw: tegen trips, spint, wittevlieg en zelfs tegen luis. In aardbeien kun je met natuurlijke vijanden ook een eind komen, maar de inzet van natuurlijke vijanden in de open lucht is lastig, of niet te betalen.”

“En ik wees al op het verbod van middelen op basis van neonicotinoïden. Dan komen middelen op biologische basis in beeld. Ze zijn beschikbaar, zijn ook meestal fors duurder dan chemische middelen, maar de effectiviteit is vaak niet toereikend.

“Tegen rupsen hebben we bijvoorbeeld al jaren Bacillus thuringiensis (Xentari), dat werkt niet afdoende. Andere middelen hebben recent een toelating gekregen, of zijn onderweg, als Flipper Plus, Met52, Bio 1020 (werkzame stof Tracer). Dat zijn breedwerkende middelen, waarvan we in de praktijk moeten ontdekken hoe breed ze werkelijk zijn. Maar het zijn ook middelen waarmee we zeker niet alle insecten afdoende kunnen stoppen. Dat leidt soms tot bijzondere oplossingen als kersentelers die de hele Betuwe inpakken, om zo de suzuki-fruitvlieg uit hun fruit te houden.”

“Of tot hachelijke situaties, zoals bij spruitkool. Die telers snakken al jaren naar afdoende oplossingen tegen insecten als koolvlieg en trips, want die kunnen de teelt volledig laten ontsporen. Dit voorjaar werd het insecticide Benevia tegen trips toegelaten. Je mag het gebruiken, maar alleen in combinatie met specifieke spuitapparatuur. Bijna geen enkele spruitkoolteler beschikt daarover.”

Lees verder onder de foto

Tripsaantasting in spruiten. - Fot: Roel Dijkstra
Tripsaantasting in spruiten. - Fot: Roel Dijkstra

Tracer – ook van biologische oorsprong – is wel een succesnummer.

“Dat werkt goed, maar je moet wel een afwisselingspartner hebben om resistentie te voorkomen. In Nederland is het middel nog steeds werkzaam, maar er zijn al bedrijven – in het buitenland, maar ook in Nederland – waar Tracer niet meer werkt.”

“Het alternatief is dan alleen nog de inzet van natuurlijke vijanden, waarmee je in de open lucht dus niet terecht kunt. Of biologische middelen met hun vaak eigen inzetstrategie en met een werkzaamheid die vaak anders is als die van chemische middelen.”

‘Direct op de praktijk aansluitend onderzoek ontbreekt’

Met al die veranderingen zou je graag een praktisch gerichte onderzoeksinstantie willen hebben.

“Er wordt de laatste jaren veel onderzoek gedaan, maar niet in Nederland. Ik merk zelf ook dat ik steeds meer kennis haal van bronnen in het buitenland. Delphy heeft voor glasteelten een onderzoekskas in Bleiswijk, maar direct op de praktijk aansluitend onderzoek ontbreekt, of is te gefragmenteerd. Fabrikanten van gewasbeschermingsmiddelen bijvoorbeeld vergelijken de werking van middel A met dat van middel B, maar een teeltconcept of -strategie wordt nooit bekeken.”

“En ik vrees dat dat ook niet verandert met onderzoek dat helemaal of grotendeels op vrijwillige basis door telers gefinancierd moet worden. Elke teler moet naar rato van zijn bedrijfsomvang bijdragen. Dat is logisch, maar gebeurt dat ook? Daarbij komt dat er budgetten voor nodig zijn die lopen in de tonnen. Voor € 10.000 doe je bijna niets. Je ziet wel dat telers groepjes vormen, om zelf kennis te verwerven, die vervolgens niet gedeeld wordt.”

“Nederland heeft zijn huidige positie te danken aan een open kennisstructuur. Daar heeft het buitenland ook op meegelift, dat is waar. Alle kennis voor jezelf houden voorkomt dat, maar het is ook het meest probate middel om als sector achterop te raken. Dat moet je niet willen in een situatie waarin chemische middelen steeds meer op de achtergrond verdwijnen en het belang van kennis over nieuwe middelen en methoden in rap tempo toeneemt.”

Of registreer je om te kunnen reageren.