Rijenspuit in aardbeien doseert en rijdt op eigen houtje

23-07-2015 | Laatste update op 12-09 | |
Rijenspuit in aardbeien doseert en rijdt op eigen houtje
Rijenspuit in aardbeien doseert en rijdt op eigen houtje

Jan van Meer in Breda werkt dit voorjaar met de eerste bladmassa-afhankelijk werkende rijenspuit in aardbeien: dat gaat met 10 bedden per werkgang, met naar verwachting 20 tot 30 procent middelbesparing. Het zelfrijdende apparaat kan dat ook nog eens zonder chauffeur.

Toen Jan van Meer viijf jaar geleden betrokken raakte bij het project gericht op de ontwikkeling van een spuitmachine die zijn weg over het perceel zou vinden, was hij best wel sceptisch. Recht rijden met gps, dat is tot daar aan toe. Maar zonder een chauffeur aan het stuur?

Scepsis verdwenen

Die scepsis is inmiddels verdwenen, want de aardbeien op teeltbedrijf De IJzerloop in Breda worden in het vervolg schimmel- en insectenvrij gehouden met een spuitmachine die zonder mankeren zelfstandig de weg kan vinden. De machine krijgt dit voor elkaar met hulp van elektronica van leverancier Probotic. De werking van deze geavanceerde techniek werd in 2013 onder andere gedemonstreerd op de Aardbeidemodag in Sint-Oedenrode. Toen met een New Holland slalommend tussen rijen aardbeien, werkend volgens het principe ‘copy and play back’: de trekker rijdt – met chauffeur – de gewenste route, waarna de trekker precies kopieert wat hem de eerste keer is voorgedaan: dus bijvoorbeeld ook inclusief eventuele stuurfoutjes van de chauffeur.

Twee jaar later is aan de werking van de koerselektronica op de spuitmachine van Van Meer niets veranderd: een chauffeur van vlees en bloed doet het een keertje voor, waarna het apparaat alle andere keren zelf aan de slag kan. Die zelfstandigheid geldt behalve voor het af te leggen parcours, ook voor de handelingen als spuitdoppen aan het eind van de werkgang afsluiten, boom omhoog halen en dichtklappen (indien nodig vanwege obstakels), keren tot aan de volgende werkgang – dat is 10 bedden verder, ofwel vijftien meter – boom uitklappen, enzovoorts.

Chauffeurloos onwennig

De trekker is een Fendt Vario 209, op anderhalve meter spoorbreedte en met 50 centimeter vrije hoogte, met voorwielen in de maat 11.2/32, en achterwielen in de maat 12.4/46. Die extra hoogte gaat niet ten koste van de stabiliteit, want het zwaartepunt ligt laag, mede door de lage ligging van de vloeistoftank (1.000 liter) voorop de trekker. Die tank is vast op de trekker gemonteerd, net als de spuitboom aan de achterkant. “Het is een gedragen machine, maar te beschouwen als een zelfrijder.”

Zo op het oog is niet te zien dat de machine zijn werk autonoom kan doen. Er zit bijvoorbeeld een gewone cabine op: voor het wegtransport is nog iemand aan het stuur nodig.

Maar ook in het veld is het niet meteen de bedoeling de spuit onbemand op pad te sturen, benadrukt teler Van Meer (al kan dat dus wel). Zijn voorbehoud komt voort uit onwennigheid, zoals dat wel gevoeld wordt bij het idee dat toekomstige auto’s chauffeurloos veilig van A naar B kunnen rijden. “De gps kan uitvallen, en je wilt het gewas zien”, motiveert hij zijn voorlopige keus ­iemand op de spuit te houden. “Een voordeel is wel dat je geen specialist nodig hebt.” Hij vervolgt: “die cabineloze trekker komt er best wel, maar dat is toekomst.”

Alleen in de rij

Zo onopvallend als het vernuft op de trekker is, zo in het oog loopt de luchtondersteunde rijenspuit, met een mooie praktijkbreedte van 15 meter, ofwel 10 bedden per werkgang. Dit deel van de spuit is nieuw ontwikkeld, voortbordurend op de kennis die afgelopen jaar was opgedaan met een spuitboom met een werkbreedte van viereneenhalve meter, en met vergelijkbare spuittechniek.

De boom voor de spuit is een gangbare Hardi Mauro Twin Force, met twee ventilatoren voor de luchtondersteuning. Hiervoor is mede gekozen vanwege de eisen dat spuitmachines vanaf het komend voorjaar volvelds doppen uit de 75 procent driftbeperkingsklasse moeten bezitten óf voorzien zijn van spuittechniek waarmee 75 procent driftreductie gerealiseerd wordt. De Mauro Twin Force krijgt dat voor elkaar – aldus de op driftonderzoek gerichte Technische commissie – in combinatie met gangbare 110.02-doppen (deze doppen zijn van zichzelf niet in staat het driftaandeel voldoende terug te dringen).

Bladmassa bepaalt afgifte

Om de vloeistof zo optimaal mogelijk op en in het gewas te krijgen, – dus niet in de paden tussen de bedden, of tussen de twee plantrijen op een bed – wordt gebruikt gemaakt van het Hortispray-systeem. Op de spuitboom zitten drie Greenseeker-sensoren waarmee de bladmassa wordt gemeten. Die informatie wordt gebruikt voor de regeling van de vloeistofafgifte. De vloeistofdosering gaat met twee clusters spuitdoppen per plantrij, ofwel vier clusters per bed. Een cluster bestaat weer uit 4 spuitdoppen, die in hun werking te beschouwen zijn als één dop: geen gewas betekent niet spuiten (alle doppen dicht), weinig gewas betekent een beperkte hoeveelheid spuiten (een combinatie van doppen open) en vol gewas betekent ‘maximaal’ spuiten (alle doppen open).

Dat gaat in combinatie met een luchtondersteuning, waarbij de uitblaasopeningen dakvormig boven elke rij zijn opgesteld, en waarmee de spuitdruppels alleen richting het gewas geduwd worden: als een rijenspuit.

Leren besparen

Vorig jaar – toen nog met de viereneenhalve meter brede rijenspuit – onderzocht PPO/PRI in Wageningen (onderzoeker Jan van de Zande) hoeveel middelbesparing haalbaar was in vergelijking met volvelds spuiten met een standaard luchtondersteunde veldspuit (RAU-luchtondersteuning, op de Mazotti-spuit van Jan van Meer). Daarbij werd met de rijenspuit met 200 liter, en met de volveldsspuit 400 liter vloeistof per hectare gespoten bij een werksnelheid van 5 kilometer per uur. Met de proefspuit kwam gemiddeld 25 procent meer vloeistof op het gewas dan met de standaard luchtondersteunde aanpak. Met inbegrip van de reductie van de vloeistofafgifte (van 400 naar 200 liter) zou daarmee een middelreductie van 75 procent haalbaar zijn.

Teler Jan van Meer mikt vooralsnog – erg voorzichtig- op 20 tot 30 procent middelreductie met fungiciden en insecticiden, bij een gelijke middelconcentratie in vergelijking met ‘volvelds’ spuiten. De besparing zit – naast de reductie van de vloeistofafgifte – in het niet/nauwelijks spuiten van de paden tussen de bedden en een beperking van de dosering op het bed tussen de twee plantrijen. De grafiek illustreert het afgiftepatroon, met in de praktijk gebruikte spleetdoppen 65-0067, 65-0050 en 65-0067.

Van Meer: “Omdat de vloeistofdosering afhangt van de bladmassa, weet je op voorhand niet precies hoeveel spuitvloeistof per hectare en per gewas nodig is. Dus je weet ook niet goed hoeveel je moet aanmaken, en na de bespuiting overhoudt. Daar moeten we nu ervaring mee opdoen. Homburg-importeur Hardi en Wageningen UR gaan de spuitmachine volgen en de resultaten en de depositie volgen in een jong, middel en ouder gewas.

Stallen
Joost Stallen redacteur vollegrondsgroenteteelt


Beheer