‘Bovengrond was hard, ondergrond pek’

06-06-2014 | Laatste update op 05-10 | |
‘Bovengrond was hard, ondergrond pek’

Hans en Jan Rozendaal in Strijen telen knolselderij met en zonder loof. Verder telen ze sluitkool, prei, ronde courgette in de kleuren groen, geel en wit en groenselderij.

Dat gaat biologisch, op grond variërend van zavelige tot zware klei met 40 tot 50 procent afslibbare delen. “Dit jaar staat de groenselderij op de zware grond”, vertelt Hans Rozendaal. Die is in januari, februari geploegd, onder omstandigheden die niet ideaal waren. “Het was eigenlijk te nat, maar je kunt niet blijven wachten. Door het uitblijven van vorst stonden de restanten van de vorige teelt sluitkool er nog ‘fris’ op.”

Na het ploegwerk ging het drogen, waardoor het veld veranderde in wat Rozendaal aanduidt als een betonplaat. Vervolgens is er drijfmest op gereden, na de compostgift voorafgaand aan het ploegen. Het uitrijden van die drijfmest ging met sleepslangen, om de grondstructuur zo min mogelijk geweld aan te doen. “Vorig jaar is ook drijfmest uitgereden, toen met de mesttank gewoon op het veld. De rijsporen daarvan konden we later terug vinden, vandaar dat we het nu anders hebben aangepakt. Bovendien was de grond in de bovenlaag kurkdroog, maar de ondergrond was nog als ‘pek’. De daarop volgende bewerking met de rotorkopeg leverde vooral harde kluiten op.”

Een regenbui gaf verbetering, dat maakte dat de grond wél handelbaar werd. Het planten van de eerste groenselderij – dat was op 5 mei – ging met een frees voorop de trekker. “Dat ging goed. Of beter gezegd: buitengewoon.” Begin deze week ging de vierde partij planten de grond in, rond 26 juni volgt de vijfde en laatste planting.

Rassenkeuze Victoria

Het ras is Victoria. “We hebben voorheen wel Tango gehad, maar dat ras geeft gemakkelijk waterstelen. Victoria is ook wat productiever, met wat langere planten en grovere stelen. Met één nadeel, want Victoria geeft ook gemakkelijk zijspranten. We oogsten zelf, dus we weten waar we moeten snijden om de spranten achter te laten, maar het kan lastig zijn.”

Groenselderij is relatief open, dus is er ruimte voor onkruid. Dat betekent regelmatig ingrijpen met de wiedeg. “Als het weer dat toelaat, gaan we er al een week na het planten mee aan de slag. Vervolgens is het een kwestie van herhalen, afhankelijk van de onkruiddruk soms wel om de twee à drie dagen.”

Wel is belangrijk dat de planten voldoende vast in de grond staan, om te voorkomen dat ze door het eggen worden losgetrokken. “We planten liefst niet te diep, maar met de los gestorte kluitplanten die we voor groenselderij gebruiken, gaat de inworteling erg snel. We gebruiken geen perspotplanten, de kans dat je zo’n potje met het eggen raakt, is groter dan met een gewoon grondkluitje.” In aansluiting op de mechanische onkruidbestrijding wordt er nog een tot twee keer met de lange hak doorheen gelopen.

Veren in het blad

Bemesten in de teelt is er niet bij. “We kunnen werken met verenmeelkorrels, maar met het risico dat die in het blad blijven hangen. In een klein gewas bemesten we weleens bij, maar in een groter gewas niet. Insecten vormen doorgaans geen probleem als het gewas vlot kan doorgroeien. Sommige collega’s spuiten wel met natuurlijke pyrethroïden, maar dan ruim je meteen alles op. En je moet met de spuitmachine door het land…”

Stallen
Joost Stallen redacteur vollegrondsgroenteteelt
Meer over


Beheer