Doorgaan naar artikel

Beheersing Fusarium vraagt brede aanpak

Het vierjarig onderzoeksproject FoSSy heeft veel inzichten opgeleverd over Fusarium in sla. Al is de beheersing van deze schimmelziekte nog steeds een hele lastige opgave. Het vraagt een gecombineerde inzet van meerdere teeltmaatregelen om sla in de grond te kunnen blijven telen.

Dit jaar is de afsluiting van het onderzoeksproject FoSSy, gericht op de beheersing van Fusarium oxysporum f.sp lactuacae in sla. Daarin is samengewerkt door het Provinciaal Proefcentrum voor de Groenteteelt Oost-Vlaanderen (PCG), Proefstation voor de Groenteteelt (PSKW), Inagro, Universiteit Gent en ILVO. Helaas heeft dit project geen pasklare maatregel of oplossing tegen deze bodemschimmel opgeleverd. Er zal een systeembenadering, met een combinatie van geïntegreerde maatregelen, nodig blijven om de schimmelziekte beheersbaar te houden. Een protocol voor bedrijfshygiëne blijft daarbij essentieel, om insleep van buitenaf tegen te gaan.

Sommige telers zien bij lagere sporenconcentraties meer gewasschade en agressiviteit dan collega-telers met een hogere sporendruk. Er blijkt geen direct verband te bestaan tussen een bepaalde waarde aan sporenconcentratie in de grond en een schadedrempel voor het gewas.

Gewasbeschermingsmiddelen die in proeven getest werden, bleken tijdens de teelt geen consequente werking te vertonen met voldoende effect. Dus voor praktijktoepassing zijn er nog geen afdoende middelen voorhanden.

Resistentie-veredeling

Resistentie-veredeling is een belangrijke manier om de ontwikkeling van Fusarium te vertragen, zelfs als in de winterperiode nog vatbare rassen worden ingezet. Binnen fysio 4 is bij resistente rassen verschil waar te nemen in de mate van weerstand tegen Fusarium. Zodat meerdere resistentiegenen nodig zijn om een goede resistentie te waarborgen. Tegen een nieuw isolaat dat al op veel bedrijven aanwezig is, voorlopig aangeduid als Fol4+, zijn komende winter introducties van slarassen met resistentie te verwachten. Vatbare rassen reageren niet zichtbaar anders op deze Fol4+-schimmel dan op gangbare fysio 4. Maar sommige intermediair resistente rassen reageren wel agressiever op Fol4+ dan andere. Een conclusie lijkt helaas dat Fusarium oxysporum in sla zich snel kan aanpassen.

De plantweerbaarheid vergroten vormt geen directe oplossing tegen Fusarium, maar bijvoorbeeld toepassing van Trichoderma bij de plantenkweker kan wel helpen om te starten met een weerbaardere plant met een sterker wortelgestel.

Pottenproef voor Fusarium-onderzoek.
Pottenproef voor Fusarium-onderzoek.

Ontsmetting

Via verschillende bodemontsmettingsmethoden is schimmelreductie mogelijk. Om Fusarium af te doden via grond-/zeilstomen, is ongeveer een uur blootstelling nodig aan 75 graden tot 30 centimeter diepte. Eerst breken van de grond en diepspitten vormen goede voorbereidingen om de stoom voldoende diep in de grond te laten doordringen. Stomen met onderdruk helpt om de stoom actief door de grond heen te trekken. Toch blijft grondstomen zijn beperkingen houden. Bij sommige telers was na een eerste schone teelt op gestoomde grond al weer iets Fusarium terug te vinden. De ziektedruk breidt zich uit op gedurende de opvolgende teelten. Grondstomen doodt verder ook alle nuttige bodemleven af, wat de plantweerbaarheid verkleint.

Voordeel van zeilstomen is dat het een relatief snel proces is, waar een alternatieve methode zoals solarisatie (met zon-opwarming onder doorzichtig folie) juist een langdurige procestijd als nadeel heeft, waardoor de kas langere tijd niet beschikbaar is voor een teelt. Anaerobe bodemontsmetting is een methode waarbij organisch materiaal in een natte bodem ingebracht wordt, om die vervolgens af te dekken met folie. Na het opgebruiken van de zuurstof ontstaat een fermentatieproces door anaerobe bacteriën, wat impact heeft op Fusarium. Maar waar het tegen onkruiden een langjarig positief effect heeft, zijn effecten tegen Fusarium echter beperkter. Nadeel is verder dat er arbeidsintensief heel netjes gewerkt moet worden om het plastic aan de randen overal netjes af te sluiten, om het gewenste zuurstofloze proces op gang te brengen. Daarnaast kunnen er door stikstof-omzetting grotere hoeveelheden nitraat vrijkomen, wat bijvoorbeeld in veldsla als volgteelt negatieve effecten gaf.

Methodes met lagedrukstomen, zoals stoombreken en stoomfrezen, leverden een te gering en heterogeen resultaat op. Biofumigatie, gebaseerd op vrijkomende gassen van specifieke plantresten, gaf eveneens geen volledige afdoding.

Afwisseling in teelten

Fusarium treedt vooral op in de warmere maanden van het jaar. Afwisseling met andere bladgewassen, zoals veldsla, spinazie en paksoi, zou voor die periode een optie kunnen zijn. In de praktijk waren in die gewassen geen symptomen te zien en werd de schimmel ook niet gedetecteerd in wortels. Alleen in potproeven met bewust hoge besmetting in het laboratorium werd soms wat Fusarium in planten vastgesteld.

In hydrocultuur-teelten met sla hebben zich tot nu toe geen problemen met Fusarium voorgedaan. Omdat in proeven sporenconcentraties in de voedingsoplossing zelfs zonder behandeling lijken af te nemen, is dit ook niet te verwachten.

Ervaring in andere gewassen

Mogelijk valt er rond plantweerbaarheid nog wat te leren van andere gewassen, die elk problemen kennen met hun eigen gewasspecifieke Fusarium-soort. Daar blijkt de ernst van optredende Fusarium-problemen mede afhankelijk van het bodemtype. Zo zijn er wereldwijd bodems bekend met weerbaarheid tegen een bepaalde Fusarium-soort. Die is te danken aan een combinatie van aanwezige competitieve micro-organismen, fysische bodemstructuur, aanwezige koolstof, pH en nutriënten. Cultuurtechnische maatregelen als het gebruik van compost en andere organische bemesting blijken dit vaak te versterken.

In Belgische proeven bleek bijvoorbeeld dat een hoger kleigehalte, een hogere pH, minder beschikbaar ijzer of lagere stikstofgiften een positief verband toonden met de weerbaarheid tegen Fusarium. Nitraatmeststoffen gaven vaak minder schimmelaantasting te zien dan toepassing van ammonium bevattende meststoffen.

Er is helaas geen directe vaste link te leggen tussen bepaalde bodemeigenschappen en de weerbaarheid tegen Fusarium. Afhankelijk van lokale teeltcondities ‘lekken’ plantenwortels ook nutriënten, waarop bepaalde nuttige micro-organismen zich kunnen gaan vestigen. Dit beïnvloedt mede de plantweerbaarheid.

Verder bestaan er specifieke micro-organismen die toxisch zijn voor een bepaalde Fusarium-soort. Zo is bijvoorbeeld van aardbei in Korea bekend dat het daar lukt om ziektewerende eigenschappen van gronden over te brengen, door iets van die grond in te brengen in ziektegevoelige bodems.

Bij banaan is bekend dat daar veel waardplanten zijn die de schadelijke Fusarium-variant kunnen bevatten. Het is onbekend of er ook bij sla (sier)planten zijn waar niet op getoetst wordt, maar die wel een risico vormen.

Share this

Gerelateerde artikelen

Beheer
WP Admin