Baassie nie werke

10-10-2011 | |
Bijman-Kroon
Bernadette Bijman-Kroon chrysantenkweker
Baassie nie werke

Heel soms lees ik een column, die ik u niet wil onthouden. ‘Baasie fietse’ van Arie Bergwerff in het Noord Hollands Dagblad van woensdag 4 oktober.

Mooi, die tv-serie ‘De slavernij’. Zorgvuldig gebracht, met een prachtige rol voor de Ghanese Surinamer (of Surinaamse Ghanees) Roué Verveer. Goed dat er eerlijk teruggekeken wordt. (Verveer, na het verhaal over de ondergang van het slavenschip Leusden: “dus er kwamen zevenhonderd mensen om het leven”, historicus Leo Balai: “nee, de lading ging verloren”. Daarna stilte.) Ik ben benieuwd of er aan het einde ook nog naar het nu gekeken wordt. Want in Nederland anno 2011 wordt ook slavenwerk verricht. De slaven komen niet meer per schip uit Afrika, maar per auto uit Polen of Roemenië.

Zelf heb ik van dichterbij nog een klein randje slavernij meegemaakt. Het was in het Westland, waar ik na jaren van noest vakantiewerk in de tomaten bij familie een uitstapje maakte naar een Rozentuinder. Deze tuinder was de vader van een Fraai Meisje uit mijn atheneumklas. Dat zijzelf ook hand- en spandiensten verleende bij de oogst, speelde mee in mijn beslissing tot deze carrièreswitch qua vakantiewerk. Ach, wat was het aangenaam haar door de rozen te zien dwalen!

Van de tomaten naar de rozen was nogal een ommezwaai, met als enige constante dat het smerig warm kon worden in de warenhuizen. Bij tomaten diende je in hoog tempo (à la Johan Neeskens) de plant van boven tot onder af te zoeken naar goedgekleurde waar. Bij rozen wandelde je rustig en rechtop door de padjes en bekeek je met aandacht (à la Gerrie Muhren) roos voor roos op knipbaarheid. Klein nadeel was dat de arm waarop je de rozen legde vol met nijdige wondjes kwam te zitten, ondanks het beschermende plastic mouwtje.

Het warenhuis was zo groot dat de Rozentuinder zich fietsend van de ene naar de andere kant bewoog. ‘Baassie fietse, baassie nie werke’, grimlachte een van de drie Turkse mannen. Zij woonden in de hoek van het warenhuis; met enkele sloopdeuren was daar een soort van afscheiding gemaakt. Daarachter, in een ruimte van enkele vierkante meter, werd geleefd, gekookt en geslapen: vuile matrassen, doorgezakte stoelen en een klein gasstelletje.

Als de Rozentuinder met de gifspuit door de warenhuizen trok in een poging nare ziektes uit zijn kwetsbare bloemen te houden, lagen de drie mannen gewoon enkele uren in de van gif bezwangerde lucht.

Omdat ‘baassie’ van gereformeerde huize was, werd er op de dag des Heeren slechts bescheiden gewerkt. We knipten ’s morgens en we knipten ’s middags, maar het sorteren van de rozen bleef die dag achterwege. De rozen verdwenen enkele uren in de koelcel en het sorteren begon maandagmorgen te 0.00 precies.

Als ik zondag overdag geknipt had, was ik die maandagmorgen vrij. Of andersom. Maar als ‘baassie’ maandag tot de conclusie kwam dat hij – gezien de sluittijden van de bloemenveiling- ernstig in tijdnood kwam, schopte hij bij zijn Turken tegen de deur. Dan moesten zij alsnog komen opdraven, ook als ze twee keer geknipt hadden eerder die dag.

Omdat de drie mannen nauwelijks tot geen Nederlands spraken, zaten we elkaar tijdens de koffiepauzes vooral vriendelijk toe te lachen. Het gesprek werd gaande gehouden door de Rozentuinder. Hij had z’n Turken twee bunkerharde vloeken geleerd, de ene bij wijze van ‘Goeiemorgen’ en de ander bij wijze van ‘Dank u wel’. Dus per kopje koffie schalden er drie blote vloeken door het warenhuis. En wat moest hij daar telkens onbedaarlijk om lachen!

Op een kwade dag kwam hij met een brief voor een van de drie Turken, Ali. Droef nieuws, want in zijn vaderland was een van zijn kleine kinderen overleden. De tranen stonden Ali in de ogen. We waren er allemaal stil van. Behalve dan de tuinder zelf. ‘Jij gewoon een nieuw kindje maken’, schaterde hij. We werden zo mogelijk nog stiller.

Diezelfde Rozentuinder zat iedere zondag in de kerk. Daar begreep ik toen, als licht weerbarstig, maar onmiskenbaar gereformeerd jongmens, helemaal niets van. En daar begrijp ik nu, 55 jaar oud, eigenlijk nog steeds niets van.



Beheer