11-01-2012 | |
Gfactueel

Redacteur Joost Stallen was afgelopen najaar wekenlang lyrisch over de kwaliteit van de broccoli in het schap. Dat is heel fijn natuurlijk, maar helaas weten wij als teler maar al te goed dat de prijs voor deze kampioensbroccoli in diezelfde weken zwaar onder druk stond.

Het is helaas een uitvloeisel van het Angelsaksische economische model van vraag en aanbod.

De industriële revolutie bracht de schijnbare tegenstelling aan het licht dat een medewerker minder waard wordt naarmate hij meer produceert. Door industrialisatie van het productieproces kon één medewerker een veelvoud produceren van eerst, maar in plaats van meer te verdienen kreeg hij minder. Enerzijds werd het product door overaanbod minder waard, zodat op de kosten bezuinigd moest worden om de marges op peil te houden, en anderzijds ontstond overaanbod aan de arbeidskant. Als arbeider kon je weinig anders dan meer werken voor minder geld en anders mocht je buurman het proberen.

In het LEI-rapport over de marges in de tuinbouwketen (waar blijft het vervolg eigenlijk?) kwam naar voren dat de primaire productie de enige schakel in de keten is die zijn productiviteit aanzienlijk heeft weten te verhogen. Het oneerlijke gevolg is logisch, meer werken voor minder geld.

Nu dus door fantastisch weer de kwaliteit en dus ook de productie van de broccoli  in het afgelopen najaar op een hoog niveau lag, voelden we de pijn van dit model. Het voelt ongelofelijk krom dat we slechte kwaliteit en bijbehorende lagere producties nodig hebben voor een betere prijs. Waar is de tijd gebleven dat een product een intrinsieke waarde had gebaseerd op de kosten en een reële vergoeding voor de geleverde kwaliteit (Rijnland model)?

Ik wil helemaal niet terug op klompen, maar de weg van steeds maar weer productiviteitsverhoging loopt dood.

Meer over


Beheer