Vollegrond

Achtergrond

‘We moeten echt af van breedwerkende insecticiden’

Met een slimme geïntegreerde aanpak is trips te bestrijden, zegt expert Guido Sterk. Hij ziet een belangrijke rol weggelegd voor externe adviseurs.

Een paar dagen vóór onze afspraak in het kersverse centrum voor landbouwinnovatie Agropolis in Kinrooi (B.) was Guido Sterk nog in het uienproefveld in Dreischor in Zeeland. Hij is enthousiast over wat hij daar zag. In de stroken komkommerkruid, Phacealia en Oostindische kers die her en der over het perceel verspreid liggen gonst het van het leven. Hij heeft nog nooit zoveel hommels en andere insecten in een perceel gezien als daar. “Niet dat het daar om gaat, het gaat vooral om het leven in en op de grond, maar het is aangenaam te zien dat ook de zichtbare biodiversiteit is toegenomen.“

In 2010 startte Guido Sterk het bedrijf IPM Impact, gespecialiseerd in het testen van neveneffecten van producten op nuttige organismen. - Foto: Peter Roek
In 2010 startte Guido Sterk het bedrijf IPM Impact, gespecialiseerd in het testen van neveneffecten van producten op nuttige organismen. - Foto: Peter Roek

Geïntegreerde aanpak

We spreken over de ontwikkeling van een meer geïntegreerde aanpak van voor gewassen schadelijke insecten, meer specifiek over bestrijding van trips in uien en op spruitkool door stimulering van natuurlijke vijanden. Sterk werkt daaraan met Cebeco Agrochemie en Bayer.

Bodemroofmijten en kortschildkevers pakken trips aan in 2 stadia in de grond

“De bedoeling is om de beestjes in de grond te stimuleren, bodemroofmijten, kortschildkevers. Die pakken trips aan in 2 stadia in de grond. Dat geeft een enorme reductie van trips in uien. Behalve die stroken is het spuitschema aangepast. Pyrethroïden eruit. Vervangen door selectieve middelen zoals Batavia, Movento, Tracer, Delegate Benevia. Daar spuit je dan 1 of hooguit 2 keer mee. Die komen in plaats van misschien wel 15 keer pyrethroïden per seizoen. Ik kan je verzekeren dat er dan geen enkele natuurlijke vijand meer over is. Dat heb je in uienland een dierlijke woestijn, niks levends meer bovengrond, niks geen leven ondergronds. En het duurt vaak jaren voordat het natuurlijk evenwicht tussen de insecten weer een beetje hersteld is. Het is dus kortetermijnpolitiek om deze breedwerkende insecticiden in te zetten. We moeten daar echt vanaf.”

Dus het principe van de akker- of bloemenranden, waarvandaan natuurlijke vijanden in het omsloten gewas trips te lijf kunnen?

“Akkerranden zijn een mythe. Mooi, maar verder niks. Het zijn eerder kweekplaatsen voor uw trips in uien. Natuurlijke vijanden gaan juist uit het perceel naar de akkerranden, omdat het daar beter toeven is. Behalve trips die er voorkomt is er honing, nectar en ander voedsel in overvloed. Vanuit de akkerranden gaat weinig terug naar het perceel.”

Akkerranden zijn vooral goed voor het imago van de sector, vindt Guido Sterk. - Foto: Lex Salverda
Akkerranden zijn vooral goed voor het imago van de sector, vindt Guido Sterk. - Foto: Lex Salverda

Uit proeven zou blijken dat een akkerrand zorgt voor minder luizen in tarwe en dus minder spuiten.

“Sluipwespen zouden dan luizen in tarwe moeten aanpakken? Ik geloof daar niet in. Ik denk eerder dat ze veel meer interesse in de akkerranden hebben. Binnen zo’n akkerrand heb je eerder hyperparasitisme, nuttigen die de nuttigen eten, sluipwespen eten sluipwespen, dan dat ze de tarwe in gaan om zich daar te voeden. En denk eens na, het zou generaties duren eer de natuurlijke vijand vanuit de rand tot helemaal midden in het perceel komt. Akkerranden zijn vooral mooi. Ik zegt niet dat dat onbelangrijk is.Goed voor het imago van de akkerbouw.”

Strokenteelt dan, waarmee nu in Lelystad wordt geëxperimenteerd, het ene gewas afwisselen met het andere?

“Daar zit een logica in, maar ook daarbij heb ik mijn bedenkingen. De beestjes zijn qua gewas vaak nogal overlappend. De groene perzikluis bijvoorbeeld zie je in aardappelen, suikerbieten, kolen. Je ziet niet vanzelf in het ene gewas het plaaginsect dat bestreden wordt door een natuurlijke vijand in het andere gewas.”

Wat maakt uw aanpak anders?

“Het gaat om stroken van enkele tientallen meters ter breedte van een spuitspoor. Daar liggen zo ook, vaak zijn de uien van tussen de spuitsporen toch al niet zo geweldig. Ze liggen op verschillende plaatsen, kevers en roofmijten verspreiden zich veel beter over het perceel. De stroken zijn ook op verschillende momenten gezaaid. Dit werkt beter dan akkerranden. Phacelia en Oostindische kers en komkommerkruid zijn of niet winterhard of anderszins gemakkelijk onder de duim te houden.”

We gingen naar 1 of maximaal 2 bespuitingen met een selectief middel met een goed resultaat

“In 2018 gingen we van 14 à 15 bespuitingen met nog onvoldoende effect op de trips naar één of maximaal 2 selectieve bespuitingen met een selectief middel met wel een goed resultaat. Per hectare kun je op een gegeven moment 500.000 gaasvliegen hebben, wat een enorme tripsbestrijding geeft.”

Sterk benadrukt dat die ene bespuiting met een selectief luizenmiddel cruciaal is. “De schadedrempel is 1 trips per ui in juni. Dan spuit je Movento of Batavia. In juli is de schade door tripsen minder en spuit je pas bij 10 tripsen per ui. In augustus zou je gemakkelk 20 tripsen per uienplant tolereren zonder dat dat tot serieuze opbrengstschade leidt.

Maar let op, die ene in juni moet wel gezien worden. Daarom worden veel monsters genomen.”

Guido Sterk denkt dat uiteindelijk een omschakeling naar de geïntegreerde aanpak van trips snel kan gaan. - Foto: Peter Roek
Guido Sterk denkt dat uiteindelijk een omschakeling naar de geïntegreerde aanpak van trips snel kan gaan. - Foto: Peter Roek

‘Mogelijkheden zijn gigantisch’

“Deze aanpak kan in meer gewassen dan alleen uien of spruitkool. Ook in granen zijn de mogelijkheden gigantisch. De interesse is groot. Ik heb niet voor niks al 31 voordrachten in Nederland gehouden hierover dit jaar.

Nadeel in Zeeland is nu wel dat men daar niet kan beregenen. Vochtige grond zorgt voor een betere structuur waarin bodemroofmijten gemakkelijk migreren. Beregenen helpt ook in dit opzicht.”

Dat betekent dat het vakmanschap van de uienteler hier op moet worden aangescherpt.

“Ik denk dat dit te ver gaat voor de individuele teler. De tripsen, maar ook de nuttige insecten zijn moeilijk te herkennen. Je moet de tripsen vinden, de antagonisten, en dat hangt ook af van de voorgeschiedenis van het perceel, het weer in een bepaalde periode. Het is complexe materie, daar is een adviseur bij nodig.”

Maar telers zijn binnenkort van de trips én breedwerkende pyrethtoïdebespuitingen af?

“Decis, Karate, Sumicidin moeten de koelkast in. Niet verboden, maar in de koelkast, zodat we er in noodgevallen over kunnen beschikken, als reserve.

Het argument vóór deze middelen wat je wel hoort, dat ze zo goedkoop zijn, vind ik een vals argument. Wat is goedkoop als je weet dat je in 1 klap 500.000 nuttige insecten doodt? Wat hier nodig is, is heel veel voorlichting en veel bewustwording. Bij telers én voorlichters.”

Guido Sterk denkt dat uiteindelijk een omschakeling naar de geïntegreerde aanpak van trips snel kan gaan. Hij blikt terug op hoe dat decennia geleden in België in de fruitteelt ging. Na jaren van systematisch doodspuiten waren de appelroetmijt en de perenbladvlo bijna van het ene op het andere jaar resistent. “Met de Nederlandse fruitteeltproeftuinen in Wageningen en Wilhelminadorp hebben we we toen een begin gemaakt van IPM, integrated pest management, biologisch en chemisch samen. In België zijn perentelers toen in 1 à 2 jaar omgeschakeld naar IPM. Het beste is dat we het laten zien via proeven.”

Over Guido Sterk

Guido Sterk studeerde zoölogie aan de Universiteit van Brussel. In 2010 startte hij het bedrijf IPM Impact, nadat hij zich op verschillende plekken al tientallen jaren met geïntegreerde bestrijding bezighield. IPM Impact is gespecialiseerd in het testen van neveneffecten van producten op nuttige organismen. Het bedrijf testte verscheidene oude en nieuwe producten op hun toxiciteit op bestuivers en biologische antagonisten. Altijd in nauwe samenwerking met de chemische en biologische industrie. Al deze data zijn gepubliceerd in een grote database op de website van IPM Impact. Deze database bevat meer dan 13.000 data voor meer dan honderd nuttige organismen, waaronder bijen en hommels.

Hoe groot is vanuit het werken met natuurlijke vijanden de stap naar een biologische teelt met helemaal geen chemische middelen?

“Ik heb zeker niets tegen biologische telers, maar op zich is de biologisch landbouw een minderwaardig systeem. Ik zie er de biodiversiteit niet serieus van toenemen. Ja, in de biologische fruitteelt zie je meer biodiversiteit. Weet je waarvan? Van organismen op stervende bomen.

Wat ik ook zie, is dat bioboeren geen synthetische fungiciden mogen spuiten, maar toch zeker zwavel en koper. Dat is toch negatief naar beestjes. Wat je ziet in akkerteelten is dat die biologische middelen schadelijker zijn dan chemische. Pyrethrum (breedwerkend insecticide op plantaardige basis, red.) mag in de biologische landbouw, maar is schadelijker voor de biodiversiteit dan het selectief inzetten van chemische middelen.

Ik ga ervan uit dat jullie ook in Nederland naar een apotheeksysteem gaan, dus dat je alleen op recept middelen kan kopen

Biologisch als het kan, chemisch als het moet. De ontwikkeling van een nieuw gewasbeschermingsmiddel kost € 300 tot 400 miljoen. Het grootste gedeelte daarvan gaat naar ecologisch en toxicologisch onderzoek. Wat nu op de markt is, is onschadelijk.”

Wat betekent dit voor de leveranciers van middelen?

“Die gaan minder middel verkopen en meer adviseur worden. Adviseurs moeten worden opgeleid. Die mensen zijn niet dom, dat is al aan de gang.

De handel zal omzet in kilo’s verliezen, maar misschien niet in geld of marge. Ik weet dat niet. Ik koop zelf de middelen voor mijn proeven en ik betaal me blauw. Pyrethroïde kost zowat niks.

Ik ga ervan uit dat jullie ook in Nederland naar een apotheeksysteem gaan, dus dat je alleen op recept middelen kan kopen. Dat verandert sowieso de positie van de handel en advisering.”

Of registreer je om te kunnen reageren.