Vollegrond

Achtergrond

Bodemleven cruciaal voor bodemkwaliteit

Er wordt veel gevraagd van landbouwbodems, hoge producties en ook nog meerdere sociale functies. Een betere bodemkwaliteit is goed voor de landbouwproductie, het klimaat en de waterkwaliteit.

Nederland vraagt in vergelijking met de andere landen in de EU veel van de bodem. Dat concludeert Everhard van Essen, bodemkundige bij Aequator Groen & Ruimte, op basis van onderzoek in het Europese onderzoeksproject ‘Landmark’. Dit was een van de onderwerpen op een door onderzoeks- en adviesorganisatie Aequator Groen & Ruimte georganiseerd bodemsymposium. Binnen Landmark is de sociale vraag naar vijf bodemfuncties vastgelegd. Voor elke lidstaat zijn de maatschappelijke eisen voor primaire productie, waterhuishouding, koolstofvastlegging, biodiversiteit en de buffering van nutriënten bepaald. De resultaten laten zien dat in Nederland veel wordt gevraagd van de bodem. De belangrijkste oorzaak van de hoge eisen is de relatief hoge bevolkingsdichtheid in ons land. Voor de grondgebruikers is de primaire productie tot nu toe het enige verdienmodel. Omdat het de vraag is of alle bodemfuncties optimaal bediend kunnen worden. Wellicht wordt de grondgebruiker in de toekomst ook beloond voor de andere bodemdiensten.

Oogsten onder slechte omstandigheden is ook slecht voor het bodemleven. Een goed functionerend bodemleven heeft baat bij een goede structuur. - Foto: Fotobert.nl
Oogsten onder slechte omstandigheden is ook slecht voor het bodemleven. Een goed functionerend bodemleven heeft baat bij een goede structuur. - Foto: Fotobert.nl

Naar ander teeltsysteem

Om ook in de toekomst aan de andere maatschappelijke eisen te kunnen voldoen, is volgens Gera van Os, lector duurzaam bodembeheer aan de Aeres Hogeschool, een transitie nodig naar een ander teeltsysteem. Dat is nodig omdat de landbouwbodems naast de voedselproductie ook belangrijk zijn voor andere functies zoals verbetering van de waterkwaliteit, bufferen van water, vastleggen van koolstof, landschappelijke waarden of biodiversiteit.

Biodiversiteit van de Nederlandse bodem

Voorheen is vooral gekeken naar opbrengstmaximalisatie, nu worden andere bodemfuncties steeds belangrijker. De biodiversiteit in de Nederlandse bodem loopt volgens Van Os steeds verder terug als gevolg van klimaatverandering, daling organische stofgehalte, bodemverdichting en verzilting. Bij de transitie naar een aangepast teeltsysteem spelen organische stof en bodemleven een grote rol. Een belangrijke vraag daarbij is wat je als teler mag verwachten van het bodemleven en hoe je daar op kunt sturen. Bodemleven is afhankelijk van lucht en vocht, daarom is het voor het functioneren van het bodemleven belangrijk dat de bodemstructuur en vochthuishouding op orde is. Aanwezigheid van organische stof is een tweede voorwaarde voor het kunnen functioneren van het bodemleven.

Uitrijden van vaste mest. Aanvoer van organische stof is essentieel voor een goed functionerend bodemleven. - Foto: Peter Roek
Uitrijden van vaste mest. Aanvoer van organische stof is essentieel voor een goed functionerend bodemleven. - Foto: Peter Roek

Aandacht voor bodemleven

Het aantal regenwormen is een indicatie voor de toestand van het bodemleven in de bouwvoor. Wormen zijn bodemverbeteraars, door het graven van gangen zorgen ze voor een betere beluchting, betere beworteling en betere waterinfiltratie. Ze eten gewasresten en mengen deze door de grond en dragen bij aan de vorming van bodemaggregaten. Wormen hebben een positieve invloed op de gewasgroei, op percelen met veel gewasresten en zonder stikstofbemesting kan de aanwezigheid van wormen wel een 26% hogere gewasopbrengst opleveren. Veel wormen in een perceel heeft ook nadelen. Ze kunnen onder bepaalde omstandigheden zorgen voor een te sterke verkitting van de bovengrond, waardoor bijvoorbeeld aardappelen bijna niet te rooien zijn. Ook stijgt door wormenactiviteit zowel de CO2- als de N2O-emissie waardoor wormenactiviteit bijdraagt aan het broeikaseffect. Wormen hebben per saldo echter geen effect op de hoeveelheid koolstof in de bodem.

Bodemleven zet ruwe organische stof om in voor planten nuttige stoffen. Van de micro-organismen in de bodem kennen we de meeste soorten niet. - Foto: Ruud Ploeg
Bodemleven zet ruwe organische stof om in voor planten nuttige stoffen. Van de micro-organismen in de bodem kennen we de meeste soorten niet. - Foto: Ruud Ploeg

Totale bodemvoedselweb

Wormen vormen echter maar een klein deel van het totale bodemvoedselweb. Het grootste deel van het bodemleven bestaat uit micro-organismen, zo’n 90% van de biomassa. Van deze bacteriën en schimmels is volgens Van Os slechts 1% van de soorten bekend. Wel bekend is dat micro-organismen enorm belangrijk zijn voor de bodemkwaliteit. Stikstofbinding, mineralisatie, en versterking van de weerbaarheid tegen ziekten en plagen zijn belangrijke positieve effecten van micro-organismen.

Groenbemesters zorgen voor diversiteit in de bodem. Hoe meer soorten in een mengsel hoe rijker het bodemleven. - Foto: Ton Kastermans
Groenbemesters zorgen voor diversiteit in de bodem. Hoe meer soorten in een mengsel hoe rijker het bodemleven. - Foto: Ton Kastermans

Geringe kennis

De geringe kennis over de soorten maakt het fijnmazig meten en sturen van het bodemleven moeilijk. Ook meten van micro-organismen blijkt ondanks beschikbare moderne meetmethoden erg lastig, omdat niet bekend is waar op gezocht moet worden en je altijd maar een klein stukje ziet. Daarnaast is de activiteit van het bodemleven plaatsspecifiek en niet statisch. Sommige organismen zitten op de wortel, anderen juist op afstand of bovenin de bouwvoor of juist onderin. Ook het moment van bemonsteren is sterk bepalend voor de uitkomst. Sommige micro-organismen zijn in het voorjaar actief, terwijl andere juist in het najaar actief zijn. Van Os zet vraagtekens bij toevoeging van micro-organismen als bodemverbeteraars of plantversterkers aan de bodem. Het is niet vanzelfsprekend dat micro-organismen overal werken. Onder volledig gecontroleerde omstandigheden zijn er positieve effecten gevonden, in de gangbare landbouwpraktijk zijn de resultaten volgens Van Os twijfelachtig.

Hoe meer soorten, hoe beter

Duidelijk is in ieder geval dat hoe meer soorten in de bodem, hoe beter de bodem functioneert en hoe hoger de weerbaarheid van de gewassen tegen ziekten en plagen. Bodemweerbaarheid is een optelsom van onderlinge concurrentie tussen bodemorganismen, predatie, parasitisme of de vorming van vluchtige organische verbindingen die de groei van andere micro-organismen remt. Een teler kan daarop sturen door te zorgen voor een goede bodemstructuur, voldoende aanbod van organisch materiaal en te zorgen voor een diversiteit aan gewassen.

Ook wanneer er geen gewassen op het land staan moet water er zo snel mogelijk af, anders stikt het bodemleven. - Foto: Bert Jansen
Ook wanneer er geen gewassen op het land staan moet water er zo snel mogelijk af, anders stikt het bodemleven. - Foto: Bert Jansen

Planten aan het stuur

Planten zitten aan het stuur van het bodemleven. 10 tot 20% van plantproductie lekt via de wortels weg naar de bodem. Met deze zogenoemde wortelexudaten lokt de plant micro-organismen naar de wortel. Bij een fosfaattekort bijvoorbeeld lokt de plant micro-organismen die fosfaat vrijmaken, bij ziekten maakt de plant exudaten voor micro-organismen die de ziekteverwekkers afremmen. Hoe meer plantensoorten, hoe meer soorten bodemleven, hoe groter de bodemdiversiteit en hoe beter een gewas om kan gaan met stressfactoren.

Opbrengsteffect kwestie van lange adem

De soort mest die op een akkerbouwperceel gebruikt wordt, heeft direct invloed op de activiteit van het bodemleven. Dat blijkt uit de resultaten van driejarige bemestingsproef van het interregionale project Leve(n)de Bodem. Voor deze proef op proefboerderij Rusthoeve in Colijnsplaat (Zld.) zijn op twee percelen, op zwaardere en op lichtere grond, 13 bemestingsstrategieën naast elkaar gelegd. Op ieder perceel twee doseringen drijfmest, compost, champost en geitenmest met daarnaast kunstmest, bodemverbeteraars en een 0-object.
Activiteit van het bodemleven
Met de HWC-analyse is ook gekeken naar de activiteit van het bodemleven. HWC staat voor ‘Hot Water extractable C’, dit is een door Wageningen ER ontwikkelde methode om de activiteit van het bodemleven te bepalen. Deze methode is volgens de onderzoekers een goede indicator voor de bodemweerbaarheid.
De activiteit van het bodemleven is bij een meting in mei het hoogst na een najaarsbemesting met een compost, champost of met vaste mest. De HWC na uitrijden van drijfmest in het voorjaar is wel lager dan van de vaste mestsoorten, maar is niet lager dan die bij gebruik van kunstmest of het 0-object. Daaruit kan voorzichtig geconcludeerd worden dat drijfmest in het voorjaar geen negatief effect heeft op het bodemleven. In de drie jaar dat het onderzoek loopt, is nog een relatie gevonden tussen de activiteit van het bodemleven en opbrengstniveau van de gewassen. De onderzoekers verwachten dat opbrengsteffecten pas op nog langere termijn meetbaar worden.

Of registreer je om te kunnen reageren.