commentaar

‘Kiespijn bij lagere pachtprijzen’

Natuurlijk, voor pachters is de lagere pachtprijs goed nieuws. Zeker in een jaar dat door corona en droogte weleens slecht kan uitpakken.

Echter, in de wetenschap dat de pachtnorm is gebaseerd op inkomens over vijf jaar, nu 2014 tot en met 2018, is de daling treurig. Spreekwoordelijk lachen als een boer met kiespijn.

In twaalf van de veertien gebieden daalt de pachtprijs. Veenkoloniën en Oldambt noteren de sterkste daling: 22%. Het Zuidwestelijk akkerbouwgebied daarentegen pakt 20% stijging; de IJsselmeerpolders 12%. In deze regio’s worden veel uien en consumptieaardappelen geteeld; 2018 was daarvoor een topjaar.

In de veehouderijgebieden wordt juist het goede jaar 2013 geschrapt, tegenover een matig 2018. De pachtnormen zakken met 10 tot 17%.

Agrarische waarde en kwaliteit grond moet tellen

De normering verrast niet, maar de grote verschillen in regio’s én per jaar zijn reden voor herziening. De pachtprijzen zouden gebaseerd moeten zijn op de agrarische waarde en kwaliteit van de grond, en niet op markt en inkomen van de boer. Het systeem wringt eigenlijk al sinds de invoering in 2007.

Een hervorming lijkt er op korte termijn niet in te zitten. Na de hoofdlijnen die landbouwminister Carola Schouten vorig jaar opstelde, blijft het erg stil op het dossier. Kabinet Rutte III tilt het dossier vast graag over de verkiezingen in 2021 heen.

Of registreer je om te kunnen reageren.