weblog

‘Tuindersambitie versus boerenchagrijn’

De rollen van landbouw en van tuinbouw in het Klimaatakkoord lopen nogal uiteen. Maar of dat ook de gemiddelde mening van de tuinder en de boer weerspiegelt is nog wat anders.

Het Klimaatakkoord. Minister Wiebes ziet het als het bewijs dat ‘de polder’ niet dood is. En gelijk heeft hij. Zoals eerder ook bij elk Sociaal Akkoord of recentelijk het Energieakkoord, is het altijd fijn om te merken dat ‘we’ het nog over van alles en nog wat akkoord kunnen worden.

Daarbij lijkt de glastuinbouw wel héél erg akkoord. Deze sector hoef je niets meer te vragen, die roept zelf van tevoren al dat ze er nog een schepje bovenop doet. 2050 fossielvrij? Wij gaan voor 2040.

Eigenlijk overal tegen zijn

Dat is nog eens wat anders dan altijd en eeuwig maar reserves inbouwen en pittig onderhandelen. En ook is het heel wat anders dan vanuit een ondertoon van onbegrepen verongelijktheid eigenlijk overal tegen te zijn. Dat laatste lijkt op te stijgen uit de rangen van de boeren. En dan met name de veehouders. Die stralen een flinke weerzin uit tegen de maatschappelijke en politieke druk die zij ervaren. Zelfs toen laatst het Planbureau voor de Leefomgeving pleitte voor een Landbouwakkoord reageerden heel wat boeren zuur en narrig.

Pluim voor tuinder, teleurgesteld in boer

Zoals we eergisteren al signaleerden kreeg de glastuinbouw van Pieter van Geel, die de afgelopen maanden de klimaattafel landbouw voorzat, een dikke pluim. De veehouderij echter bracht hij in verband met het woordje teleurstelling.

Van Geels woorden zijn exemplarisch voor hoe glastuinders de laatste jaren in allerlei media en gremia als innovatieve voorlopers worden neergezet, niet als deel van het probleem, maar van de oplossing. En da’s best bijzonder. Want 20 jaar geleden nog lag de nadruk op het feit dat de kassen goed waren voor 10% van het totale jaarlijkse aardgasverbruik in Nederland. Hoezo deel van de oplossing?

Kan de gewone glastuinder het bijbenen?

Vraag is wel of de gewone glastuinder de ambitieuze voormannen (en -vrouwen, hoewel ‘voorvrouwen’?) nog wel kunnen bijhouden. Of voelt die zich misschien stiekem net zo onbegrepen en verongelijkt als de gewone boer? Met als subvraag: wie of wat is anno 2018 nog de gewone glastuinder?

En als misschien wel belangrijkste subvraag: hoe verhoudt de hoeveelheid chagrijnen in een sector en het vermogen om – al dan niet juichend – mee te gaan met de ambitie van de voorlieden zich met de gemiddelde hoogte van het ondernemersinkomen?

Of registreer je om te kunnen reageren.