‘Een etalage voor de export van landbouwkennis’

Jan Douwe van der Ploeg
Wageninen UR viert deze zomer zijn eeuwfeest. Volgens Jan Douwe van der Ploeg oogst het ‘Nederlandse landbouwmodel’ elders in de wereld weerstand.

Nederland is weliswaar een formidabele exporteur van landbouwproducten en voedsel, maar een steeds groter deel daarvan is gebaseerd op invoer van elders. Het aandeel dat een Nederlandse herkomst heeft, neemt af.

Voedselindustrie en supermarkten importeren hun grondstoffen en aangeboden waren steeds meer. Deze verschuiving is al langer gaande en ook goed te verklaren. Vrijwel nergens ter wereld zijn grond, arbeid en milieugebruiksruimte zo duur als in Nederland. De liberalisering heeft import gemakkelijk gemaakt en transportkosten zijn laag. En tenslotte ontstaan er, rondom Europa, grote landbouwbedrijven (vaak eigendom van grote kapitaalgroepen), die voor lage prijzen produceren.

Betekent dit dat het Nederlandse platteland niet meer nodig is als productieruimte voor de landbouw? Afgaande op datgene wat achter de schermen speelt, luidt het antwoord ja. De landbouwelite heeft een nieuw model voor ogen.

Is het Nederlandse platteland binnenkort niet meer nodig als productieruimte voor de landbouw? - Foto: ANP
Is het Nederlandse platteland binnenkort niet meer nodig als productieruimte voor de landbouw? - Foto: ANP

Meer kennisexport

Naast het verminderde belang van de eigen landbouw, is er een toename in de export van kennis. Hierbij gaat het om stallenbouw, veevoeding, veterinaire producten, kassenbouw, automatisering van bedrijfsprocessen, landbouwmachines, systemen voor precisielandbouw en managementmodules. Thans omvat de export van deze ‘ingeblikte’ kennis zo’n € 10 miljard per jaar. Daar komen nog ettelijke miljarden bij voor kennis die wordt geleverd door ingenieursbureaus, universiteiten en onderzoekscentra. Zo ook groeien de internationale ‘dienstverlening’ van Rabobank, FrieslandCampina en andere landbouwgiganten.

Love baby

Het agro-industriële complex (waartoe behalve de voedselindustrie ook het ministerie, Rabo en WUR behoren) opteert voor een versnelde vergroting van de export van landbouwkennis. Het is de ‘love baby’ van de Nederlandse landbouwelite.

Op het eerste gezicht lijkt dit misschien een verstandige uitbreiding van de kenniseconomie. De export van landbouwkennis komt evenwel met een moeilijk verteerbare ‘reclameboodschap’ en een ‘prijskaartje’ dat verontrustend is.

Centraal in de boodschap staat Nederland als ‘tweede landbouwexporteur ter wereld’. Gekoppeld aan de minuscule omvang van ons land moet dit de notie schragen dat we over een superieure landbouw beschikken, die beter dan wie of wat dan ook in staat is ‘de wereld te voeden’.

‘Nederland kan technologie leveren die de landbouw laat functioneren zonder daarbij nog boeren te behoeven’

Dat is de boodschap die voortdurend en allerwegen wordt uitgedragen: een superieure landbouw die is gebaseerd op superieure kennis die is ‘ingeblikt’ in superieure technologieën, bedrijfsmodellen en logistieke systemen – en die kennis vermarkten we graag. Nederland kan technologie leveren die de landbouw laat functioneren zonder daarbij nog boeren te behoeven. Big data, precision agriculture en automatisering nemen de rol van boerenarbeid over. Het is een technologie die wonderwel scharniert met grootschaligheid en landgrabbing.

Kunstje

Aalt Dijkhuizen - Foto: Koos Groenewold
Aalt Dijkhuizen - Foto: Koos Groenewold

In deze visie moet het Nederlandse platteland functioneren als etalage. Het moet tonen dat het kunstje werkt. Ons platteland moet de export van landbouwkennis schragen. Andere argumenten zijn er niet of nauwelijks. Het meeste pleit er tegen. Het platteland wordt ontwricht, de milieudruk blijft hoog en het merendeel van boeren en tuinders wordt beroofd van enigerlei perspectief (ze moeten plaatsmaken voor ‘het model’).

Hoe het ook zij, het agro-industriële complex wil verdienen aan de export van kennis. Daartoe is een aanpak ontworpen die meerdere componenten omvat. Naast het ombouwen van het platteland tot etalage, worden Wageningen en het agro-complex op een lijn gebracht. Er is een ‘top-consortium’ onder leiding van de heer Dijkhuizen dat de onderzoeksprogrammering verzorgt. Een ander component is de poging de FAO over te nemen teneinde van daaruit het model van grootschalige landbouw uit te dragen en voor te stellen als een natuurnoodzakelijkheid.

Fresco

Louise Fresco - Foto: Koos Groenewold
Louise Fresco - Foto: Koos Groenewold

De ideale kandidaat leek mevrouw Fresco: vrouw, niet-Amerikaans, wél nauw gelieerd aan het internationale bedrijfsleven en fervent tegenstander van agro-ecologie. Gevraagd hoe de Afrikaanse bevolking zal worden gevoed, stelt ze kort en bondig: ”dankzij grootschalige landbouw”.

Achter de schermen is langdurig gelobbyd. Het heeft niet mogen baten. De kandidatuur van Nederland (en daarmee van Fresco) is op een muur van verzet gestuit. De positie van secretaris-generaal gaat naar China en dat is in meerdere opzichten veelzeggend.

Het onvermogen om Fresco te positioneren, gaat verder dan de persoon zelf – het gaat om de weigering het Nederlandse landbouwmodel te accepteren als richtsnoer voor de toekomstige landbouwontwikkeling. Het landbouwmodel dat Nederland wil exporteren wordt, net als de daarbij behorende kennis, afgewezen als ongeschikt voor het oplossen van het wereldvoedselvraagstuk.

Of registreer je om te kunnen reageren.