weblog

Internationaliserende tuinder doet aan landgrabbing

Wat in de Derde Wereld landgrabbing heet, het opkopen van grote hoeveelheden landbouwgrond door bijvoorbeeld China, India of Arabische landen, noemen we in Europees verband doorgaans internationalisering. Nederlandse boeren en tuinders die over de grens bedrijven starten doen daar vrolijk aan mee. Maar er zijn kapers op de kust.

Landgrabbing, het op grote schaal opkopen van landbouwgrond door buitenlandse partijen, komt ook binnen de Europese Unie voor. Dat blijkt uit een studie in opdracht van het landbouwcomité van het Europees Parlement. Vooral in de nieuwe lidstaten gaan grote aantallen hectares van de hand.

Tot nu toe werd landgrabbing of landroof zoals het ook wel wordt genoemd voornamelijk als een probleem gezien in Afrika, Azië, Zuid-Amerika en landen van de voormalige Sovjet-Unie. Maar in de armere Europese lidstaten komt het ook voor, zij het in andere vormen, concludeert het rapport. Veel verschillende partijen zijn betrokken.  Opvallend is de interesse van nieuwe investeerders van buiten de sector, zoals banken, investeringsfondsen, individuele handelaren en private equitybedrijven. Kopers zitten vooral in West-Europa (ook in Nederland), verkopers in de nieuwe lidstaten, Roemenië en Litouwen voorop. Maar ook investeerders van buiten de EU azen op de hectares. Zo heeft een grote Libanese groep in Roemenië de hand weten te leggen op maar liefst 65 duizend hectare landbouwgrond. In Roemenië zou 10 procent van de grond nu in handen zijn van investeerders van buiten de EU en 20 tot 30 procent van eigenaren binnen de EU.

Spotgoedkope grond

De logica is niet ver te zoeken. Grond in Oost-Europa is spotgoedkoop. Het rendement dat erop is te halen is met moderne landbouwtechnieken - die de huidige kleine boeren die erop zitten niet kunnen betalen, maar die grote investeerders wél - zo te verdubbelen of meer. Geen wonder dat deze landbouwgrond als speculatieobject het de laatste jaren zo goed doet. Met elk jaar ook nog een paar honderd euro per hectare aan EU-subsidie erop, is het een mooie koop.

De schrijvers van het rapport vragen aandacht voor de negatieve gevolgen die deze 'landroof' voor de lokale boerenbevolking. Ze spreken van een verdere verzwakking van de sociaal-economische en ecologische vitaliteit van het platteland, en leidt het tot erosie van het Europese model van familiebedrijven. Voor Nederlandse tuinbouwbedrijven, die op dezelfde grondmarkt hun slag proberen te slaan om er goedkoper te kunnen produceren en voor verder weg gelegen markten een logistiek voordeel te behalen, is deze kwestie dubbel. Maken zij nu deel uit van dat kennelijk bedenkelijke leger van landrovers? Of moeten zij - zelf vaak nog écht agrarische familiebedrijven - juist de strijd aangaan met die grote investeerders? Een per definitie eigenlijk al ongelijke strijd.

Of registreer je om te kunnen reageren.