Home

Achtergrond

Biosector: voorsorteren op ‘eigen rassen’

In de gangbare veredeling staan nieuwe moleculaire technieken ter discussie. Daarom wil de biologische sector nu duidelijk maken dat zij een andere afslag neemt in de ontwikkeling van uitgangsmateriaal. Daar moet dan wel binnen de regels voor rassenregistratie ruimte voor worden gemaakt. Aan dat laatste werkt onderzoeker Abco de Buck.

Met meer keuze uit nieuwe biologische groenterassen (vaak vrij bestoven) kan de biologische sector zich beter onderscheiden en inspelen op klimaatverandering. Dat vindt niet alleen veredelingsonderzoeker Abco de Buck van het Louis Bolk Instituut, maar dat idee is breed gedragen in de Europese Commissie. De Buck werkt in een EU-project aan voorstellen voor rassenregistratie die beter passen bij die biologische rassen. Nu halen deze rassen de markt vaak niet.

De Buck is veredelingsonderzoeker voor de gangbare en biologische landbouw. De biologische rassen hebben – in tegenstelling tot uniforme hybride rassen – ingebouwde diversiteit, en zijn doorgaans ‘open pollinated’ (vrij bestoven en zaadvast). Groot voordeel is dat deze biologische rassen juist door hun ingebouwde diversiteit beter bestand zijn tegen variatie in de teeltcondities en het klimaat. Deze zijn daarmee – in theorie – robuuster. Die variatie wordt in het huidige toelatingsonderzoek echter niet gewaardeerd, terwijl een groot deel van de teelt daar juist bewust voor kiest.

De markt voor groentezaden

Niet elke teler maakt de keuze voor deze rassen met variatie. De biologische groentezadenmarkt kent stromingen. Dat geldt voor voorkeuren van telers, maar ook voor de programma’s bij veredelingsbedrijven. De Buck: “Sommige bedrijven, zoals Vitalis en De Bolster, veredelen en selecteren onder biologische omstandigheden. Bij anderen, zoals Bejo en Rijk Zwaan, gaan veredelingsprogramma’s voor gangbaar en biologisch samen op en later in het selectieproces wordt specifiek op biologische marktmogelijkheden getoetst.” In die opzet heeft dan ook biologisch de wind mee met innovaties in gangbare veredeling, zoals merkertechnologie.

Huidige toelatingsprocedures

Ook in de traditionele ‘open pollinated’ gewassen worden steeds meer nieuwe F1 hybride rassen toegelaten, waardoor de aanwas van nieuwe niet-hybride rassen voor biologische telers beperkt is, stelt De Buck. Bovendien zijn door de verschuiving naar hybride rassen de eisen van het huidige toelatingsonderzoek voor wat betreft uniformiteit in bepaalde gewassen een bijna onneembare drempel geworden voor niet-hybride rassen, die dus bewust minder uniform zijn.

Hoe zit dat precies? Dat toelatingsonderzoek (uitgevoerd in Nederland door Naktuinbouw) is genaamd ‘DUS’. Daarbij staat D voor onderscheidbaarheid, de U voor uniformiteit en de S voor stabiliteit. Allemaal aspecten van belang voor de gebruikers van het ras: van teler tot consument.

Maar voor de nieuwe categorie biologische rassen is die uniformiteit nou juist een probleem, immers het ras is zo ontworpen dat er diversiteit in zit om in te kunnen spelen op variatie in teelt en klimaat. De Buck: “Dat toelatingsonderzoek is bovendien duur voor de vaak kleinere veredelingsbedrijven in dit biologische niet-hybride marktsegment van het uitgangsmateriaal.”

Tijdelijk experiment EU

De Europese Commissie start nu een experiment van zeven jaar om de toelating voor die biologische rassen mogelijk te maken, en de veredeling daarmee te stimuleren.

Het EU-project is er dus voor de groep veredelaars en telers die werken vanuit de biologische kernwaarden en klimaatrobuustheid belangrijk vinden. De Europese Commissie zegt in dit experiment feitelijk dat ze veredelaars de gelegenheid wil geven biologische rassen aan te melden met een alternatief toelatingsprotocol.

Geen EU-budget

Dat doel is goed en pragmatisch, maar volgens De Buck wordt het nu wel een beetje als kale aankondiging gedropt in de sector. Veredelaars worden uitgenodigd biologische rassen aan te melden en tegelijkertijd zelf een voorstel aan te reiken om de (verminderde) uniformiteit te beoordelen. De EU heeft geen geld voor dit onderzoek uitgetrokken. De Buck: “Het is daarmee eigenlijk geen onderzoek. Het is meer van ‘we zien wel waar we tegenaan lopen’ en gaan dan zoeken naar een oplossing. Dat trekt een wissel op de inspanning die veredelingsbedrijven erin willen en kunnen stoppen.”

In Nederland financierde de Raad voor Plantenrassen in 2020 een oriënterend onderzoek door het Louis Bolk Instituut en Naktuinbouw, waarin protocollen voor huidig toelatingsonderzoek werden toegepast op kandidaat biologische rassen in twee groentegewassen. Doel was om te zien waar de knelpunten lagen. In dit oriënterende experiment heeft het Louis Bolk Instituut samen gewerkt met het Duitse zaadbedrijf Bingenheimer Saatgut, dat zaaizaad op de markt brengt voor kleinere veredelaars, ook uit Nederland.

De Buck heeft nu voor wortel en koolrabi voorstellen voor aanpassing van de toelatingsprotocollen uitgewerkt. Dat voorstel komt er op neer dat de strikte eisen voor uniformiteit alleen toegepast worden op kenmerken die belangrijk zijn voor de markt. De Buck: “Hoe een blad eruit ziet of de beharing van de stengel, dat zijn wel raseigenschappen maar niet van belang voor telers of de consument. Biologische rassen hoeven dan niet aan die hoge norm voor uniformiteit te voldoen. Ga nu eens per gewas per eigenschap na waar feitelijk best wat minder nadruk op kan worden gelegd.”

Beschikbaarheid van biologisch zaaizaad

De biosector wil ernaar toe dat het uitgangsmateriaal voor 100% van gecertificeerd biologische herkomst is, maar dat is momenteel niet beschikbaar. De Biodatabase van Naktuinbouw biedt biologische telers nu voor elk gewas drie categorieën voor hun rassenkeuze: verplicht biologisch, biologisch indien het ras beschikbaar is en niet verplicht biologisch uitgangsmateriaal. Het gebruik van gangbaar geteeld onbehandeld zaaizaad is dus mogelijk, maar aan strikte voorwaarden gebonden.

‘Ga nu eens per gewas per eigenschap na waar feitelijk best wat minder nadruk op kan worden gelegd’

Als die ontheffing in 2036 verdwijnt, mogen telers alleen biologisch gecertificeerd uitgangsmateriaal gebruiken. De Buck: “Hierbij is nog wel keuze tussen voor bio geschikt bevonden rassen die afkomstig zijn uit de gangbare veredeling en de biologische rassen die volledig veredeld en vermeerderd zijn onder biologische omstandigheden. Voor bepaalde gewassen is een chemie-vrije zaadproductie lastig.”

Lange termijn perspectief

Toch kunnen telers nog vijftien jaar gangbaar geteeld zaad gebruiken. Dan is in gangbaar ook de chemische zaadbehandeling sterk teruggebracht en zijn er alternatieven voor kunstmest. Lost het probleem niet vanzelf op doordat onderscheid tussen gangbaar en biologisch zaad misschien kleiner wordt?

De Buck: “Die discussie over chemische middelen en het effect daarvan op het milieu is op dit moment nog aanwezig. Bio is niet alleen een ‘way of life” gebaseerd op principes, maar ook een marktsegment met voorwaarden waarover goed is nagedacht. Gebruik van chemische middelen wordt daarbij uitgesloten. Dat is sterk verbonden aan het merk Bio en moet je koesteren.”

De discussie over nieuwe veredelingstechnieken als Crispr-Cas speelt dan ook niet in biologisch, al zal niet elke teler tegen zijn. De Buck: “De biologische beweging noemt veel bezwaren, en wijst het wereldwijd af. Maar de discussie loopt wel langs bepaalde lijnen. In biologisch dynamisch is het een absoluut ‘No go’, maar er zijn daarnaast telers die uit commerciële overweging naar biologisch zijn overgestapt die hier minder bezwaar tegen hebben. Zeker hier geldt dat je de waarden waar biologische landbouw voor staat, hoog moet houden: gezondheid, ecologie, eerlijkheid en voorzorg.”

Profiel

Abco de Buck (54) is veredelingsonderzoeker bij het Louis Bolk Instituut. Het instituut doet contractonderzoek voor verduurzaming van de landbouw in zowel de gangbare als biologische teelt. De Buck heeft veel ervaring met praktijkonderzoek voor de akkerbouw en tuinbouw. Bij een veredelingsbedrijf heeft hij gewerkt aan rasontwikkeling bij aardappel.

Of registreer je om te kunnen reageren.