Home

Achtergrond

‘Allang meer biopesticiden ingediend dan chemische’

Ook al is het middelengebruik in kilo’s drastisch teruggelopen in de loop der jaren, gewasbescherming per vierkante meter is eerder duurder dan goedkoper geworden. Een kwalitatief goede oplossing voor zowel teelt als voor maatschappij en milieu komt met een prijs, weet Nefyto-voorzitter Carlos Nijenhuis.

We spreken elkaar de dag nadat een grote literatuurstudie naar de noodzaak van insecticiden in de land- en tuinbouw wereldkundig is gemaakt. De koppen in de media vertellen de lezers, luisteraars en kijkers dat gebruik van neonicotinoïden en fipronil onnodig is, ‘want er zijn prima alternatieven’.

Carlos Nijenhuis blijft er kalm onder. “Ja natuurlijk zijn er alternatieven, maar niet voor alle toepassingen. Dat weet elke Nederlandse boer en tuinder. Die zijn ook meer dan in welk ander land bezig met natuurlijke vijanden en weerbaar telen en het beste uitgangsmateriaal. Maar ze weten ook als geen ander dat als een plaag daar toch doorheen breekt we correctiemiddelen achter de hand moeten hebben. Die alternatieven alléén zijn niet duurzaam: als we gaan werken met lijsten van middelen die volledig in de ban gaan, dan kunnen we met wat overblijft plagen niet meer de baas. Dat is geen robuust systeem voor voedselproductie, niet duurzaam.”

Foto: Ton Kastermans

‘Geen ban neonicotinoïden’

Nijenhuis kent als voorzitter van Nefyto en als directeur van 1 van de 15 bij deze organisatie aangesloten middelenfabrikanten de oppositie. “Deze club wetenschappers kwam een paar jaar geleden ook al op een politiek gekozen moment met zo’n rapport. Toen aan het begin van het debat over de neonicotinoïden. En nu weer als in Brussel definitieve maatregelen op de agenda staan. We verwachten overigens geen grote wijzigingen van de tijdelijke maatregelen, geen totale ban. In vrijwel alle EU-landen is er al een zodanige beperking op het gebruik dat risico’s voor bestuivende insecten zijn uitgesloten.”

De inzet van Nefyto is: een breed middelenpakket dat je zo min mogelijk wilt gebruiken.

“Dat klinkt misschien raar uit de mond van een fabrikant. Maar net als de tuinders gaan wij allang niet meer voor zoveel mogelijk kilo’s middelen verkopen, maar voor kwaliteit. Het verdienmodel is vergelijkbaar: ook als we met minder middel dezelfde bescherming kunnen bieden, dan blijft die oplossing de tuinder evenveel waard.”

En misschien is die oplossing met minder middelengebruik zelfs wel meer waard, omdat het goed is voor het imago van de sector?

“Dat is niet zo eenvoudig als de discussie wordt gevoerd op emotie. Die literatuurstudie is daar een voorbeeld van. Als je voorbij gaat aan het feit dat ons voedsel en onze voedselproductie nog nooit zo veilig is geweest als nu, dan ben je niet bezig met wetenschap maar met een politiek geloof. Wij zijn de grootste voorstanders van een wetenschappelijke beoordeling van middelen en werkzame stoffen. Daar is in de EU ook een helder systeem voor opgezet.”

“Fabrikanten weten waar ze als toelatingshouders van middelen aan toe zijn. Voor elk middel in hun portefeuille weten ze wanneer het toe is aan een herregistratie; dat is al naar gelang het vastgestelde risicoprofiel van het middel elke 5, 10 of 15 jaar. Bij candidates for substitution (kandidaat voor vervanging) weten we dat als op het moment van die herregistratie er een vervanger voor dat middel is met een lager risicoprofiel, dat die herregistratie dan zal worden afgewezen. Elke fabrikant analyseert de markt en telt zijn kansen: investeren in de studies die nodig zijn voor herregistratie? Of de toelating laten verlopen omdat er zich vervangers aandienen?”

‘Sommigen zijn vooral vóór duurzame teelt. Anderen zijn tegen middelen’

En die vervangers zouden dan moeten vallen onder de verzamelnaam ‘groene middelen’?

“Dat is een term die verwarring kan scheppen. In de tekst van de Green Deal Groene Gewasbeschermingsmiddelen die liep tussen 2014 en 2017 wordt vooral gesproken over laagrisicomiddelen en stoffen. Dat is ook in lijn met de beoordeling van stoffen en middelen in Brussel en in Nederland. Brussel heeft een lijst met actieve stoffen waar naar gekeken wordt, om hoogrisicostoffen te vervangen door stoffen met een zelfde werking maar een lager risico. Per lidstaat wordt gekeken – in Nederland door toelatingsinstantie Ctgb en inspectiedienst NVWA – naar vervanging van hoogrisicomiddelen door laagrisicomiddelen. In die 1ste categorie gaat het vaak om chemische middelen en in de 2de om biopesticiden. Maar je hébt ook laagrisico- chemische middelen en hoogrisico-biopesticiden. Overigens is het zo dat de laatste 5 jaar al meer nieuwe biopesticiden in aanvraag zijn voor een toelating dan chemische pesticiden.”

De discussie op emotie focuste zich het laatste jaar op de stof glyfosaat. En elk voorjaar centreert dat debat zich weer om de bijenstand.

“Met de verschillende ngo’s hebben wij daar als Nefyto ook op verschillende manieren contact over. Sommigen zijn vooral vóór duurzame teelt. Anderen zijn niet zozeer voor een duurzame teelt als wel tegen middelen. Dat verschil werd begin dit jaar duidelijk in de nationale bijenstrategie die werd getekend op de grote bijeenkomst in de Scheveningen. Natuur en Milieu doet daar wel aan mee, maar Greenpeace niet.”

‘Zolang telers de middelen gebruiken volgens het etiket zijn ze net zo gevaarlijk als een haai die netjes in Sea Life’

Die willen kennelijk niet met BASF, Bayer en Syngenta en met LTO in één convenant? Ook afwezig: de retail. Die vinden de afspraken via PlanetProof genoeg?

“Op zich mooi dat er zo breed in de keten stappen worden gezet naar een duurzamere teelt. Maar zoals ik al zei zijn wij geen voorstander van het hanteren van middelenlijsten die neerkomen op het verbieden van wettelijk toegelaten middelen. Blijkbaar zijn er risicolijsten, maar hoe houden die rekening met het gebruik van die middelen in de dagelijkse praktijk van de teelt?”

“Zolang telers die middelen gebruiken volgens het etiket zijn ze net zo gevaarlijk voor mens en milieu als een haai die netjes in het aquarium van Sea Life in Scheveningen zwemt. Giftigheid is niet het probleem, maar of blootstelling zo groot is dat de risico’s onaanvaardbaar worden.”

En dat is en blijft her en der inderdaad toch een probleem. Dat meten de waterschappen jaar na jaar in bijvoorbeeld het Westlandse oppervlaktewater.

“Dat is helemaal waar. De telers die daar verantwoordelijk voor zijn, staan soms ook met de rug tegen de muur. Maar ze beschadigen wel de hele sector en ze schaden ook de middelen die worden gevonden en met naam en toenaam in het nieuws komen. Voornamelijk in andere Europese landen trekken fabrikanten om die reden wel middelen in. In Nederland kunnen we ons gelukkig prijzen met heel erg professionele telers. Maar ook hier hebben we wel te maken gekregen met de gecontroleerde distributie van imidacloprid.”

Alleen verkrijgbaar op recept. Precies wat de ngo’s al jaren bepleiten voor alle middelen.

“Wij zijn daarvan geen voorstander, maar het is wel bespreekbaar als daardoor middelen of toepassingen beschikbaar kunnen blijven. In die zin dat middelen onder strikte voorwaarden worden toegelaten – bij heel bepaalde teelttechnische noodgevallen. Dit type toelating is lastig omdat je de randvoorwaarden moet bepalen waardoor een bepaalde toepassing wel aanvaardbaar is. Maar ik weet dat ze aan het speeddaten zijn met gebruikers om wensen en ideeën te inventariseren. Ook al zal het voor nooit meer dan een paar procent van het middelengebruik controleerbaar en uitvoerbaar zijn.”

Of registreer je om te kunnen reageren.