Home

Achtergrond laatste update:23 dec 2008

Ministerie en LTO stoeien over scheiding van mest

Dierlijke mest en kunstmest zijn twee verschillende zaken, vindt het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Die moet je gescheiden houden. LTO ziet dat anders: door dierlijke mest te scheiden gaat deze mest juist meer op kunstmest lijken. DOOR JOOST STALLENjoost.stallen@reedbusiness.nl

IJsbergslateler Frans Nouws in Schijf werkt nog met
zijn zelfrijdende mestdoseerder, maar alleen met zeugenmest als aanvulling op de
basisbemesting. Daar had hij het apparaat indertijd niét voor gebouwd. In het
begin reed hij er de dunne fractie van varkensmest mee uit, voorafgaand aan én
tijdens de teelt van ijsbergsla. De dun-vloeibare fractie werd tussen de
plantrijen in de grond gebracht als was het kunstmest. Het werkte prima, met 4 à
5 kilo stikstof per kuub, een vergelijkbare hoeveelheid kali en een minimale
hoeveelheid fosfaat, was de stikstofwerking goed voorspelbaar. “Vergelijkbaar
met Entec”, aldus Nouws. Het doek voor de aanpak viel tweeëneenhalf jaar
geleden met de inwisseling van Minas voor de huidige Mestwet. ‘Minas is te
vrijblijvend’ stelde het Europese Hof. De huidige Mestwet beperkt het gebruik
van dierlijke mest tot jaarlijks maximaal 170 kilo stikstof per hectare.
Pogingen van Nouws om zijn bemestingswijze te behouden, wijzend op milieu- en
kostenaspecten, leden schipbreuk. “Uitzonderingen waren niet mogelijk.” Pissig:
“In Nederland is er een ontmoedigingsbeleid om naar oplossingen te
zoeken.”

Dierlijk is dierlijkOm aan te geven waar de
scheidingslijn ligt tussen kunstmest en dierlijke mest verwijst het ministerie
van LNV naar Europese regels. De Europese richtlijn inzake meststoffen geeft aan
wanneer een meststof mag worden verhandeld als kunstmest. De definitie van
dierlijke mest in de Nitraatrichtlijn komt erop neer dat óók de producten van
dierlijke mest moeten worden aangeduid als dierlijke mest. Dat heeft zich
vertaald in nationale mestwetgeving, zodat de vloeibare fractie na mestscheiding
- zelfs als die nog maar enkele procenten organische stof bevat - dierlijke mest
blijft. Dat geldt ook voor gft-compost waaraan voor compostering dierlijke mest
is toegevoegd, of vergiste mest. Je zou kunnen zeggen dat de aanduiding
dierlijke mest vooral een definitiekwestie is. Dus is het mogelijk de grens
tussen kunstmest en dierlijke mest te verleggen, zodat er binnen de wetgeving
meer ruimte komt voor het gebruik van mest(producten) van dierlijke oorsprong.
“Geen sprake van dat we die vraag voorleggen bij de Europese commissie”,
reageert Henri Bos, beleidsmedewerker voor de verwerking en bewerking van
dierlijke mest bij LNV. Volgens hem krijgt zo’n verzoek zeker geen groen licht.
Nederland heeft in het kader van derogatie al meer speelruimte gekregen voor
extra stikstof uit dierlijke mest op grasland, bovenop de norm van 170 kilo per
hectare. “Ons mestbeleid wordt in Brussel al extra kritisch gevolgd.”

Alleen mineralenconcentraatDaar komt bij dat Nederland
wil starten met een grootschalige pilot voor de afzet van mineralenconcentraat
uit dierlijke mest, bovenop de norm van 170 kilo voor dierlijke mest. De
Europese Commissie beoordeelt die pilot. Aanleiding is het verzoek eind vorig
jaar van de Tweede Kamer aan LNV om nadrukkelijker te kijken naar de
mogelijkheden dierlijke mest na bewerking in te zetten als kunstmestvervanger.
Volgens onderzoekers in Wageningen zou uitsluitend mineralenconcentraat in
aanmerking komen voor het predicaat ‘kunstmestvervanger’, omdat hierin
nauwelijks nog organische stof zit. Bos: “Concreet betekent het dat dat aandeel
verwaarloosbaar moet zijn ofwel minder dan 0,1 procent. Dat vereist hoogstaande
kunstgrepen, met industriële technieken als ultrafiltratie en omgekeerde
osmose.” Het is zeker niet aan te raden in dit stadium te investeren in
technieken die niet aan de eisen voor mineralenconcentraat voldoen.” Volgens hem
gaat de pilot zeker enkele jaren duren. Een voorwaarde voor het concentraat is,
aldus Bos, dat het van constante kwaliteit en constante samenstelling is. In de
huidige situatie wordt gewerkt met meststromen van allerlei kwaliteiten, met een
groot aantal (handels)partijen. Mestbonnen, monsternames en GPS-technieken
moeten die meststroom overzichtelijk houden. De vraag is in hoeverre dát
waterdicht is. Op telersbijeenkomsten wordt gewezen op
mestverwerkingsfabrieken in concentratiegebieden, waar mest kan worden verzameld
en gescheiden (of anderszins bewerkt). De mestfracties kunnen op specificatie -
en gecontroleerd - worden afgezet. De meeste initiatieven in die richting
strandden echter of kwamen niet van de grond doordat er niet genoeg
afzetperspectief is.

Andere aanpakWat LTO Nederland betreft maakt het
ministerie van LNV de verkeerde keuzes, die bovendien te veel tijd vragen.
“Voordat de praktijk iets heeft aan die pilot zijn we minstens drie jaar
verder,”’ formuleert Mark Heijmans, bemestingsspecialist voor LTO. “In 2010
start het ‘vierde actieprogramma Nitraatrichtlijn’, met nieuwe gebruiksnormen en
mestregels voor de dan volgende jaren. “Wij pleiten voor gewijzigd beleid.’’ De
mogelijkheden op korte termijn overwegend stelt Heijmans vast dat het het begrip
dierlijke mest oprekken in de Nitraatrichtlijn vooralsnog niet haalbaar is. Net
als LNV ziet hij in dat de Europese commissie daarin niet wil meegaan. Bovendien
lopen niet alle EU-lidstaten, om handelspolitieke redenen, even warm voor een
oplossing van het Nederlandse mestprobleem. Wel haalbaar en milieukundig te
verantwoorden is volgens hem een nieuwe invulling van het vierde actieprogramma,
door meer gebruiksmogelijkheden voor dierlijke mest te creëren’. Dat kan op
basis van een onderscheid tussen onbewerkte mest, bewerkte mest - als na
mestscheiding - en verwerkte mest, bijvoorbeeld mineralenconcentraat. “Een teler
kan bijvoorbeeld kiezen voor 170 kilo stikstof per hectare uit onbewerkte
dierlijke mest, voor 250 kilo uit bewerkte mest of voor 300 kilo uit verwerkte
mest. Het gaat niet om de getallen, maar om het principe: een vorm van derogatie
voor de plantaardige sector, met inachtneming van de totale gebruiksnormen voor
stikstof en fosfaat. Een preiteler die 20 kubieke meter drijfmest uitrijdt,
geeft daarmee 140 kilo stikstof en 78 kilo fosfaat. Prei heeft maar 30 kilo
fosfaat nodig, dus met drijfmest ben je aan het overbemesten. Het alternatief
kan zijn 25 kuub dunne fractie na mestscheiding. Daarmee wordt 125 kilo stikstof
aangevoerd en 26 kilo fosfaat. Dan klopt de mineralenkringloop beter, wordt
minder water getransporteerd en is minder kunstmest nodig.”

Gewoon doenDe onderhandelingen met Brussel voor het
vierde actieprogramma worden al gevoerd, aldus Heijmans. ‘’Die kun je voeren met
een ambtelijke vertegenwoordiging die geen vuist maakt óf op ministerieel
niveau, en daarbij als Nederland gewoon zéggen hoe je het mestbeleid gaat
aanpakken. Landen als Frankrijk en Spanje doen dat op andere beleidsterreinen
ook zo, als ze menen dat Brussel op het verkeerde spoor zit. Desnoods laten ze
het aankomen op procedures bij het Europese hof. Die weg had Nederland al lang
moeten bewandelen in plaats van aansturen op compromissen waarmee de agrarische
sector niet is gediend.”

Kader

Duur
“We zijn al anderhalf jaar met het ministerie van LNV in gesprek over een
verruiming van de afzetmogelijkheden van dierlijke mest”, aldus Mark
Heijmans van LTO. “Voor 2010 moet er iets concreets geregeld zijn, anders
gebeurt er weer drie, vier jaar niets. Zo pleiten we ook al lang om op grote
schaal te gaan testen met mineraalconcentraat uit ultrafiltratie en omgekeerde
osmose. Probleem is wel dat de verwerkingskosten 20 tot 25 euro per kuub zijn.
Iemand die die productie op zich wil nemen, moet wel perspectief zien in dit
product”. Na bewerking resteert zo’n 60 procent water met loosbare
eigenschappen, 20 procent compostachtig materiaal en 20 procent
mineraalconcentraat, met hoofdzakelijk N en K.

Redactie GFActueel

Of registreer je om te kunnen reageren.