Home

Achtergrond laatste update:23 dec 2008

Bruggenbouwer laat af en toe zijn tanden zien

Albert Jan Maat volgde vorig jaar april Bart Jan Constandse op als voorzitter van LTO Nederland. De CDA-politicus moest zichzelf opnieuw uitvinden. De nieuwe rol als kampioen van agrarisch Nederland verveelt hem nog niet. “Zeker in de tuinbouw verandert de wereld elke dag.”DOOR TON VAN DER SCHEERton.van.der.scheer@reedbusiness.nl

Albert Jan Maat kent als gewezen Europarlementariër de
stadsplattegrond van Brussel, maar inmiddels heeft ook die van Den Haag voor hem
niet veel geheimen meer. Hij is nu ruim driekwart jaar voorzitter van LTO
Nederland. Hij loopt weliswaar door dezelfde wandelgangen, alleen nu niet meer
in de rol van politicus, maar in die van belangenbehartiger.

Geen heimwee naar die rol van actief politicus?“Ik wil
niet te veel nadruk leggen op de contacten met de politiek, al zijn die
natuurlijk wel belangrijk. Een sector als de tuinbouw moet het toch voornamelijk
hebben van de markt. Kijk naar gewasbescherming. Voor de manier waarop telers
met hun product omgaan, ligt een wettelijk minimumkader. Daar bovenop is het ook
en misschien wel vooral een zaak van afspraken die marktpartijen met elkaar
maken. Vanuit de sector is de drang om onderwerpen als deze aan te pakken groter
dan vanuit de politiek.”

De snelle actie toen Tennet wkk-tuinders niet op het net wilde
laten is een goed voorbeeld?
“De wkk-crisis, zoals het hier en daar
wel wordt genoemd, is een voorbeeld van hoe de politiek belemmerend kan werken
op iets dat ondernemers met goede argumenten snel geregeld willen zien. Dat
groene stroom voorrang moet krijgen op het net is toch ook in lijn met het
kabinetsbeleid. Met Nico van Ruiten van LTO Glaskracht Nederland is dat snel aan
de orde gesteld. Gelukkig pakten de ministers Verburg en Van der Hoeven dat snel
op. Maar het vervolg, de benodigde wetswijziging, moet ook snel in orde
komen.”

Donner loopt op het gebied van gelegenheidsarbeid en buitenlandse
werknemers iets minder hard, ook onder druk van een kamermeerderheid.
“Op het gebied van arbeid is er nog koudwatervrees. Onze inzet is
om ook Roemenen en Bulgaren toe te laten op de Europese arbeidsmarkt. We laten
zien dat tuinders de arbeidsomstandigheden, de betaling en de huisvesting van
Polen goed regelen. Concrete misstanden bij boeren en tuinders zijn niet of
nauwelijks aan de orde. Daar zitten we als CAO-partners samen met de bonden hard
genoeg op. Als dat goed gaat, waarom zouden er voor de nieuwste EU-burgers dan
andere regels moeten gelden? We zitten met z’n allen in de Europese markt, dan
ook één arbeidsmarkt. Overigens werken we intussen wel regelingen uit om met
vergunningen zoveel mogelijk Bulgaren en Roemenen toe te laten. Over de regeling
voor goedkopere gelegenheidsarbeid door scholieren en huisvrouwen, daarover zijn
we nog steeds intensief met Donner in gesprek. Daar houden we de druk op. Ik
hoop dat ook voor de vakbonden duidelijk is dat er ook wat moet worden gedaan
voor de werkgelegenheid van andere groepen dan alleen oudere werknemers met een
vast contract. Die andere groepen zijn niet geholpen met het huidige
ontslagrecht. Het Nederlandse bedrijfsleven moet jaarlijks 1,5 miljard euro
stoppen in ontslagprocedures waarvan de uitkomst voor 98 procent vast staat. Dat
geld kan toch beter aan scholing worden besteed.”

Geeft die nadruk op buitenlandse en goedkope binnenlandse
arbeidskrachten wel een goed beeld van de sector als plek voor ook de betere
banen?
“We moeten als land- en tuinbouw wel verder vooruit kijken
naar de toekomst. Een beter arbeidsmarktbeleid voor de sector op poten zetten
vergt een langetermijninvestering in tijd en geld. We kunnen voor ons personeel
de EU niet blijven uitbreiden tot straks onze tomatenplukkers uit Kazachstan
komen. De tuinbouw heeft ook meer hoger geschoold personeel nodig. Daarvoor
moeten we de sector en het groen onderwijs aantrekkelijker maken voor jongeren
die uit de steden komen. Eén van de initiatieven die de sector beter op de kaart
moet zetten is een aanstaande imagocampagne. Ik kan er nog niet te veel van
zeggen, maar wel dat de Nederlandse agrarische sector toegaat naar één
merkstrategie. We zijn economisch een geweldige factor en dat mag best wat meer
van ons afstralen. We zorgen bovendien voor schoon en veilig voedsel, een
onderwerp wat ook hóóg op de politieke en maatschappelijke agenda staat. En we
zijn de sector met het laagste ziekteverzuim van Nederland.”

Maar dit was tien jaar geleden toch ook al een zaak van
langetermijninvesteringen? Is dat toen onvoldoende gebeurd?
“We
zullen moeten leren dat investeren in je toekomst los moet staan van het
economisch klimaat van het moment. Als je je door de conjunctuur laat
sturen, loop je alleen maar achter de feiten aan. Je moet zelf aan het stuur
zitten. We hebben binnen LTO natuurlijk een lastige periode achter de rug. Dat
deed de continuïteit van het werk geen goed en onze dekkingsgraad al evenmin. We
schommelen met de tuinbouw rond 50 procent, maar zitten in de melkveehouderij
rond 70 procent. Dan heb je meer te vertellen. Hoewel we met die 50 procent de
grootste speler in de primaire sector zijn, ligt er toch een duidelijke opdracht
dat dat omhoog moet. Dat moet ook wel, want in de nieuwe Wet op de
Bedrijfsorganisatie komt een heel wat pittiger representativiteitstoets.”

LTO Nederland beraadt zich op de rol die de productschappen in de
toekomst moeten blijven spelen.
“We staan op het standpunt dat
productschappen een toegevoegde waarde hebben, maar alleen als hun activiteiten
goed aansluiten op die van private organisaties. Daarbij vindt LTO Nederland het
heel belangrijk dat de vrijblijvendheid van steun aan productschappen eraf moet.
Te vaak zie ik partijen die, als het zo uitkomt, hun productschap steunen en dan
weer kritiek leveren. Daar willen wij niet aan meedoen. Vandaar die eigen
duidelijke visie.”

Weten genoeg tuinders wie Albert Jan Maat
is?
“Misschien vragen zich best een hoop tuinders af wie er ook
alweer voorzitter van LTO Nederland is. Maar ik zou het veel erger vinden als ze
zich zouden afvragen wie Nico van Ruiten is en waar LTO Nederland en zijn
vakgroep voor staan en wat LTO voor haar leden doet. Met Tiny Aerts (ZLTO) en
Bill Steeks (LLTB) trekken zij aan een groot aantal dossiers. Ik ben heel blij
met mijn rol als regisseur tussen sectoren en regio’s, die met de bestuurders en
de medewerkers binnen de organisatie de dossiers scherp houdt. Een bruggenbouwer
die ook af en toe zijn tanden kan laten zien.”

Kader

Albert Jan MaatAlbert Jan Maat (1953) was vanaf 1977
tot 1995 medewerker van het CBTB en secretaris van de NLTO. Van 1995 tot 1999
was hij voorzitter van het CDA Drenthe en vanaf 1999 tot 2007 Europarlementariër
voor het CDA. Vorig jaar werd hij voorzitter van LTO
Nederland.

Redactie GFActueel

Of registreer je om te kunnen reageren.