599 bekeken 1 reactie

‘En dus lopen we hartstikke vast’

De hoofdteelt van Martin Peeters in Heide is rabarber: vervroegde rabarber voor de versmarkt, met de oogst vanaf begin januari tot begin april, en industrierabarber voor de oogst vanaf half mei. In deze periode heeft hij geen rabarber voor de verse markt. “Vroeger wel, maar dat past niet meer in onze bedrijfsaanpak.
De oogst van die industrierabarber startte dit jaar op 17 mei. In de loop van deze week (week 24) loopt dat weer op zijn einde. Dit oogsttraject is normaal te noemen; vorige jaar was het allemaal wat vroeger, maar dat was omdat het voorjaar toen zo fraai was.

Productiesprong
Het ras voor de industrie is Goliath. “Het zijn de kilo’s die tellen, dan zit je goed met Goliath. Tot dit jaar zat de productiepiek op 78 ton per hectare, deze keer is dat meer dan 92 ton per hectare geworden. “We wisten op voorhand niet dat de productie zó hoog zou uitvallen, maar dat het goed zou worden, dat zat er dik in. Vorig jaar in september kwamen de eerste uitkomsten beschikbaar van de suikergehalten in de suikerbieten. Die waren toen al enorm hoog. Dat wees erop dat er enorm veel fotosynthese had plaats gevonden. Wat geldt voor bieten, geldt in feite ook voor rabarber. Wat we nu oogsten is in feite het resultaat van de voedselreserve die het gewas voor het overgrote deel vorig jaar heeft opgebouwd. Ga maar na: we startten dit jaar op 17 mei, het gewas heeft er dan een week of  5 aan groei opzitten. Bovendien was dit een koud voorjaar, dus het bestaat niet dat het gewas in die paar weken in staat is om zo’n productiepiek te leveren. Die goede productie zagen we ook in de vervroegde rabarber.
Die productiesprong hangt samen met het feit dat we de pollen nu voor het vierde jaar oogsten.
Tot nu toe werd 2, hoogstens 3 jaar geoogst. De pollen werden vervolgens opgerooid en gebruikt voor de vermeerdering, door deze pollen te splitsen. “Op die manier hebben we het areaal de afgelopen jaren uitgebreid. Dat bouwen we nu af, zodat de bestaande planten nu langer in productie kunnen blijven.” Daar zit wel een eind aan, doordat de pollen jaar na jaar steeds groteter worden:  Dat geeft steeds meer neuzen per plant, en daardoor krijg je dunnere stengels. Op een bepaald moment krijg je een break- even situatie: weliswaar een hoge productie, maar met dusdanig veel werk, dat dat niet meer loont.”

Urean
De stikstofbemesting op de meerjarige pollen is gebeurd met urean, à 100 kilo stikstof per hectare. Deze vloeibare meststof is eind februari met een spuitmachine verdeeld, tegelijk met een onkruidbestrijding. “Onze loonwerker is in deze bemestingswijze gestapt. Het is het tweede jaar dat we het zo doen, en dat gaat perfect, want de verdeling van de stikstof kan niet beter zijn.” In de loop van maart gaat er nog 15 tot 20 kubieke meter varkensdrijfmest per hectare op, waarmee zo’n 80 kilo stikstof per hectare wordt aangevoerd. Hoeveel drijfmest er werkelijk op gaat, is afhankelijk van het fosfaatgehalte. Na de oogst volgt nog zo’n 400 kilo KAS per hectare.
De jongste planten –in een planting van vorig jaar juni- worden nog niet met urean bemest, die moeten het doen met korrelvormige KAS, die met een rijenbemester wordt gedoseerd. Dat is effectiever, omdat het wortelgestel van deze planten nog niet zo ver ontwikkeld is.

Vastloper
Een aparte tak vormt de biologische rabarberteelt. Peeters doet dat samen met een compagnon. Daar mag uiteraard geen kunstmest op, maar met de mestsoorten die er wél op mogen, loopt de teelt “hartstikke vast.” Oorzaak is een verzwaring van de bemestingsregels, waarmee in de praktijk amper te werken valt. “Voorheen kon de stikstofbehoefte, naast de dierlijke meststoffen, gedekt worden met verenmeel en vinassekali. Die stoffen mogen nu nog gebruikt worden, mits minstens 50 procent van de stikstofaanvoer afkomstig is van meststoffen van biologische oorsprong. Verenmeel en vinassekali zijn volledig natuurlijk, maar vaak niet van biologische oorsprong. Hoe groot de N- aanvoer uit die dierlijke mest kan zijn, wordt beperkt door het fosfaatgehalte. Biologische varkensmest bevat relatief veel fosfaat, dus daarmee kan onvoldoende stikstof worden aangevoerd. Beter is biologische rundveemest, maar dat spul is onvoldoende beschikbaar. “Biologische veehouders hebben de mest nodig voor eigen gebruik, dan sta je dus altijd achteraan. Dan kom je bij het tweede probleem: omdat minstens de helft van de N- aanvoer van biologische oorsprong moet zijn, mag je ook niet zo veel hulpmeststoffen als vinassekali of verenmeel meer geven.” Dat blijft niet zonder gevolgen, “normaal plukken we zo’n 40 ton biologische rabarber per hectare, dat zie je nu dus afnemen.”

Proeftuin
De controle van deze bemestingsregels ligt bij de Dienst Regelingen. “Ik heb deze situatie aan zo’n ambtenaar proberen uit te leggen door hem voor te stellen dat hij in het vervolg iedere week 50 uur gaat werken tegen een salaris voor 30 uur. Geen reactie, toen bleef het stil.”
Dan: “het punt is dat je met een biologische teelt rendement moet kunnen maken. Als dat niet lukt, kun je net zo goed gangbaar telen. Dat zou dan wel verschrikkelijk jammer zijn, want de biologische bedrijfsvoering is voor ons als een proeftuin. In de biologische teelt leer je  zaken, die ook in de gangbare teelt toepasbaar blijken. Pak de onkruidbestrijding: door de wijsheid die je opdoet in de biologische teelt, kunnen we in de gangbare teelt toe met minder chemische middelen.”



Bron: Groenten&Fruit - Auteur: Joost Stallen

 

Eén reactie

  • no-profile-image

    Biologische boerderij Kraanswijk

    Voor biologische mest voor de de biologische rabarberteelt verwijs ik u naar www.kraanswijk.nl

    Kraanswijk EKO digestaat is een goed alternatief om toch voldoende N te kunnen bemesten en ook te voldoen aan de 50% A meststof regel

    Neem contact op met Chris Bomers
    mob.: 06-23785384

Of registreer je om te kunnen reageren.